Poolse literatuur

Website opgericht en beheerd door Stichting Literatura

‘Vosjes’ – Justyna Bargielska

‘Małe lisy’ in vertaling

male lisy proba 1a

Poolse poëzie op het 46e Poetry International Festival Rotterdam: Justyna Bargielska

Gedichten van Justyna Bargielska

Anijsrekwisiet: Justyna Bargielska in Rotterdam

image003

Justyna Bargielska, foto: Tineke de Lange

Justyna Bargielska

 

VOSJES

 

vertaald door Rita Martynowski

 

Eerste hoofdstuk

 

            Agnieszka: wie zij is –  de man met de jas, wie hij niet is – Pajda, die is of niet is,   maar er is een opsporingsbericht over hem – donkere gangen vol vlinders – en

            een gele aanhangwagen, zit die echt vol paarden?

 

 

En, girls, ooit een romance gehad met een bosgangster?

Ja, girls, ik wel.

Maar vandaag is het dinsdag, voor er ook maar iets is gebeurd, en ik ben nog steeds cheffin  van een werkplaats, onderzoekster, bovendien vrijwilligster in een stichting, activiste. Onderzoekster-activiste. Vanuit de bus, die stilstaat voor de verkeerslichten, kijk ik naar twee jongens met rugzakken die ijs uit een plas peuteren. In hun handen houden ze grote brokken. Het licht springt op groen, de bus rijdt weg, ik vraag me af waarom ze dat doen, de enige verklaring is dat ze met ijs zullen smijten naar voorbijrijdende voertuigen. Ik duik weer in mijn boek, maar ik kan beter niet lezen in de bus want ik maak me veel te druk over wat ik lees. Ik maak me vooral zorgen over chicklit, maar ook sommige wetenschappelijke items werken op mijn gemoed.

Ik voel me opgelucht dat mijn bus is vertrokken vóór die jongens met het ijs op voorbijrijdende voertuigen beginnen te smijten. Het is niet uitgesloten dat ik een of andere sport zou moeten beoefenen. Ik heb gemerkt dat ik na ietwat controversiële lectuur psychosomatische formuleringen gebruik om mijn toestand te beschrijven: dat mijn kuiten trillen, mijn handen, of dat sowieso mijn hele kritieke wezen begint te beven. Na die lectuur moet ik vaak naar een speciaal boekenplankje lopen om iets anders te lezen, iets bekends, iets vanzelfsprekends, om tot rust te komen. Het liefst van al Darwin. Ik heb vast te weinig beweging.

In feite houd ik van frisse lucht. Die helpt me om gebruik te maken van mijn tot op heden niet al te goed functionerende hersenstructuren. Op een keer was ik met vakantie op het platteland en op zekere dag schoot er me ineens een reactie te binnen op een bewering van een vrouw van het ministerie, uitgesproken op een meeting van vorig jaar, dat ze ons de datum van de volgende meeting zou meedelen, maar dat het niet mogelijk zou zijn om te onderhandelen omdat de dames van de stichting over veel tijd beschikken. Ik had haar moeten zeggen dat de dames van de stichting hun vrije tijd gratis en voor niets wijden aan het herstellen van wat die vette luizen zoals zij verknoeien tijdens hun met geld van de gemeenschap betaalde kantooruren! Ik weet alleen niet of ik het met of zonder uitroepteken zou zeggen. Alles bij elkaar is het goed dat die scherpe reactie toen, ter plekke, niet in mijn hoofd is opgekomen, want ik zou het effect hoe dan ook verknoeid hebben door twijfels over dat uitroepteken.

In verband met die hersenstructuren heb ik laatst een hond genomen. Het is een westie. Zijn witte vacht geeft geen allergische reactie. Twee keer per dag ga ik met hem naar het grasveld achter de huizenblokken en een keer per dag naar het bos langs de overkant van de straat. In de sneeuw zie je hem haast niet.

Op zekere dag ben ik met mijn westie in het bos, en van zo’n honderd meter verder komt er een man naar me toe. Groot, grijzend krulhaar, in joggingbroek, flanellen overhemd en een jas tot op de knieën, niet dichtgeknoopt.

‘Daar moet je toch wel een klootzak voor zijn!’ roept hij.             Hij komt naar me toe, groet me, legt uit dat hij het had over die afvaldumpers. Afval in de sneeuw is goed te zien.

‘Wat verderop liggen nog twee computermonitors,’ zeg ik.

De hond van de man komt aangerend en de man vraagt of onze honden even met elkaar mogen spelen. Dat mag, hoewel het hondje wat lusteloos is en het mijn westie alleen wat om zich heen laat springen.

‘We zijn in de rouw’, legt de man uit. ‘Hij had een vriendinnetje, maar we moesten haar laten inslapen, want ze had kanker. Ik heb er slecht aan gedaan om haar te begraven terwijl hij toekeek. Hij snapte niet dat het om een begrafenis ging, een laatste eerbetoon, enzo. Hij is tenslotte maar een hond, hij hoeft het niet te snappen.‘           Zo’n honderd meter bosinwaarts zag ik in de sneeuw een ingelijste foto van een buldog. Het ruitje was gebarsten, wellicht door de vrieskou. Ik begrijp nu dat het een dierenbegraafplaats was, vóór de winter zag ik er soms snijbloemen. Mijn westie geeft het op, de hond van de man met de losgeknoopte jas wil alleen zijn.         Een paar dagen lang ga ik met mijn westie naar de wei langs de andere kant van de woonwijk. Boven de weide houdt het suizen van de laaggespannen hoogspanningskabels nooit op. Ik hou van hun gesuis, want dankzij hen heb ik een wei naast mij, en geen huizenblok. Dan ga ik weer naar het bos.         Tijdens een van mijn wandelingen heb ik een foto gemaakt van iets wat ik niet kan thuisbrengen. Ik heb de foto op computer gezet en vergroot, maar ik weet nog steeds niet waar de installatie voor dient. Op vier bomen die ruwweg in een vierkant groeiden waren er in spagaat zakjes opgehangen met iets dat bevroren was en dat er zelfs op de foto als iets hards uitzag. In het midden was er een grote steen geplaatst, maar geen zwerfkei, gewoon een steen die zo groot was dat het leek alsof hij speciaal hier naartoe was gebracht, en niet toevallig gevonden in het bos. Naast de steen lag een metalen blikje dat zo was uitgesneden dat de onderkant een grijper vormde en de zijkanten twee schuine snijvlakken.

Nou, ‘k weet niet.

 

Ik ontmoette de man met de losgeknoopte jas. Eigenlijk was het niet ik, die hij herkende, want ik had mijn sjaal tot bijna onder mijn wenkbrauwen gewikkeld, zo koud was het. Maar hij had me waarschijnlijk herkend aan mijn westie.

‘Zal ik u iets laten zien?‘ vroeg hij.

We liepen diep het bos in, in de diepte die tot aan de bebouwing van eengezinswoningen aan de overkant reikte. Hij toonde me iets wat eruitzag als de restjes van een hut.

‘Hier woonde Pajda,’ zei hij, ‘Met zijn bijzit.’       Ik had er iets over gelezen.      ‘Een messentrekker, alstublieft. Hij had hier een hut gebouwd, eigenlijk was het een tent, en die tent had hij bedekt met takken. Een hut. Camouflage. De hele zomer lang woonde hij hier, met zijn bijzit en twee kinderen.’       ‘Met twee kinderen?’       ‘Ze was zwanger, die bijzit.’       Ik had er inderdaad iets over gelezen. Onze wijk krijgt het lokale krantje niet, de eengezinswoningen in de buurt natuurlijk wel, hun ‘Echo’ wordt in een speciaal plastic tasje met oortjes aan hun poortjes gehangen, maar bij ons doen ze niet aan distributie. Wie zou dat trouwens in die driehonderd brievenbussen proppen, en vooral waarvoor, want minstens de helft van ons trekt ieder weekend weer naar zijn echte huis, ver buiten Warschau, en pas daar komt de interesse om het lokale nieuws tot zich te nemen. En om belastingen te betalen. Ik heb die ‘Echo’ dus op zekere dag uit de winkel meegenomen.        Wat die Pajda niet heeft uitgehaald! In de streekbus, in de zomer op de terugweg van het strandmeer, op een avond in juli, heeft hij de chauffeur overvallen. De bus bleef staan bij de eindhalte, maar Pajda en zijn makker wilden verder drinken en toeren. De chauffeur vroeg ze om uit te stappen, want er is zo’n wet die zegt dat aan de eindhalte moet worden uitgestapt. Toen haalde Pajda een mes te voorschijn en verwondde de chauffeur, die in het ziekenhuis belandde, en zo verschaften Pajda en zijn maat zich een plaatsje op de lijst met gezochte personen.        ‘Kijk, hier’, zei de man met de losgeknoopte jas. ‘Hier stond die tent van hem.’         Van de tent was nog de organische afdekking overgebleven: een paar kale takken vastgemaakt aan een balk opgehangen aan twee bomen die zich naast elkaar bevonden.         ‘Ze hebben hem gepakt in deze tent. Zijn bijzit, haar twee kinderen, eentje van een jaar en eentje van drie, en dan natuurlijk die zwangerschap, ik weet niet hoe ik dat moet tellen. Mobiele telefoons, juwelen, dvd’s.’

‘Dvd’s?’         ‘Jammer genoeg. Ze hebben hier de hele zomer lang gewoond.’          Ik dacht er aan om de volgende keer aan de man met de losgeknoopte jas te vragen of hij niet die persoon is van die advertentie. In onze trappenhal hangt een advertentie over iemand die in het flatgebouw woonde en dan ineens verdwenen was, maar aan de foto – eigenlijk een fotokopie van een foto – kan ik niet goed zien hoe die persoon er uit zou moeten zien. Bovendien ben ik heel slecht in het herkennen van gezichten, ik vraag liever gewoon of iemand iemand is, of iemand anders, of helemaal niet is.         Aan Pajda denk ik meestal onder de douche. De cv-installatie van mijn wijk is ondeugdelijk, dat is tenminste hoe ik het zie. Maar het kan ook zijn dat mijn onderburen zich gewoon minder vaak wassen. Wanneer ik een douche neem moet ik twee minuten wachten voor er uit de kraan het soort water loopt dat ik heb aangevraagd, dus warm. Eerst komt er koud, dan afwisselend koud en warm, en pas na enige tijd wordt de temperatuur stabiel en kan ik me wassen. Maar hoe dan ook, die hele toestand is vervelend voor mij, en juist dan denk ik meestal aan Pajda in zijn hut.

Ik denk ook aan die bijzit van Pajda. Ik ben nooit zwanger geweest, maar ik kan me voorstellen dat hygiëne in die periode van het allergrootste belang is. En over kinderen heb ik dan weer gelezen van hoe vuiler hoe liever. Water laten weglopen tot het de juiste temperatuur bereikt, is niet ecologisch, maar daar wil ik zelfs niet over denken. Een hut daarentegen is ecologisch en daar denk ik de hele tijd aan.         God nog aan toe! Ik moet me klaarmaken voor mijn werk.         Maar voor ik naar het werk vertrek, trek ik dagelijks een uur lang baantjes in het zwembad van onze wijk. Ik zwem, maar voel me daardoor niet nader tot God. Hebben jullie al gehoord van christelijke meditatie? Wacht nog een paar weken en ze bedenken christelijke yoga. Ik doe aan zwemmen dat naar het christelijke streeft. Natuurlijk is het niet God die me gezegd heeft om elke dag een uur te zwemmen en dat ik dan dichter bij Hem zal zijn. Ik weet zelfs niet of hij er weet van heeft dat ik bezig ben met de uitvoering van een benaderingsproject.

Ik heb Hem niet geconsulteerd, geen officiële mededeling gedaan, dus kan ik Hem niets verwijten. Per definitie weet Hij het, moet Hij het weten, maar per definitie houdt een moeder van haar kind en deelt een man wat hij verdient met zijn vrouw. Dus ik zwem en zwem maar in dat zwembad, en voel me als een kaal takje dat ze in een lege vaas hebben gestopt, naar beneden kijkt en vermoedt dat het maar heeft te vragen en er wordt water in de vaas gegoten. Welaan dan, vraag maar takje, zeg iets. Sprakeloos stap ik het zwembad uit en ga ik naar de mensen toe, en eigenlijk behandelt niemand me alsof ik van God zou komen, en dat is nou mijn dagindeling.

 

Nu, girls, wil ik de dag beschrijven toen ik Pajda de messentrekker leerde kennen, met dien verstande dat dit niet de dag was toen ik verliefd op hem werd, want die dag was beslist tevens de dag van de vijandelijke overname door de erfgenames van wijlen de zoon van opa’s broer van een stuk van het erf van het vroegere huis van mijn grootouders, inclusief de waterput, de perenboom en de halve notelaar, dus kon het niet tevens de dag zijn dat ik verliefd werd op Pajda omdat die, als messentrekker uit het bos, voortdurende concentratie vereiste. Die dag kreeg ik een telefoontje dat de erfgenames van de zoon van opa’s broer weigerden om aan de erfgenamen van mijn opa de strook grond te verkopen die aan hun boerderij grensde, een strook van hooguit twee meter breed, maar van strategische waarde. Gevoels-, maar jammer genoeg niet wetmatig, werd de situatie gecompliceerd door het feit dat die strook door mijn opa en zijn erfgenamen beheerd werd sinds opa bij wijze van gentleman’s agreement in ruil aan zijn broer een hectare bos in het oosten van het land had overgemaakt. Ik weet niet hoe het komt dat de ene helft van de erfgenames ervoor gezorgd had dat de eigendom van het bos in het desbetreffende kadaster geregistreerd werd maar dat het bij de andere helft zelfs niet in hun hoofd was opgekomen dat de strategische strook met de perenboom, de waterput en de halve notelaar dan in een andere rubriek van het desbetreffende kadaster moest verschijnen. Toen de erfgenamen van mijn opa begrepen hadden dat ze een stel klungels waren, stelden ze aan de erfgenames van de zoon van opa’s broer voor  om de grond terug te kopen voor geld. We moesten die grond terugwinnen, want behalve de waterput en de anderhalve boom was dit ook de plek waar de houten balken geweest waren waarop we in de zomer boterhammen met kaas aten terwijl we naar de zonsondergang boven de weide keken. Eén van de zussen – er waren twee singles van bijna vijftig – Dzidka, doopnaam Stefania, een kinderpsychologe, was zelfs geneigd om ons tegemoet te komen. Vóór haar menopauze verzamelde ze vlinders in een netje en speldde ze vast in glazen kastjes die een doe-het-zelver uit de stad voor haar maakte. De duistere gangen van het huis van de zoon van opa’s broer, waar de twee zussen woonden – eerst met beide, vervolgens met één en ten slotte met zero ouders – waren volgehangen met lijstjes, als waren het portretten van voorouders. Pas wanneer een verloren zonnestraal de gang in viel kon je zien hoe afgeleefd de dingen achter de ruitjes precies waren. Dorota, de eerstgeborene, ontwierp beglaasde, kromgebogen torenflats tot ze een ongeval kreeg waarin een scherf van de voorruit van een auto een slagader doorsneed, naar het schijnt die van de dij, en een tweede, maar met meer onregelmatige kanten, haar gezicht verwondde. Dorota was tegen. Die dag belde Dzidka me op om te zeggen dat ze zich bedacht hadden.

Ik werd toen zeer boos en om dat zowel te verbergen als duidelijk te maken, ging ik naar het bos en nam de hond zelfs niet mee. Bij het klimmen dacht ik hoe ik het zou zeggen en bij het dalen zei ik wat ik bedacht had. Een pittige jeremiade was het gevolg. Niemand zal respect voor me hebben als ik mezelf niet respecteer, als ik mezelf niet in het wit kleed voor een foto dan zal niemand me zo kleden en maken ze een foto van mij terwijl ik onder een poort zit te plassen. En of het nu al dan niet mijn foto zou zijn heeft geen belang, want ik plas nooit onder een poort, maar zij zullen eronder zetten wat zij willen en ik zal me schamen dat ik onder een poort geplast heb. Terwijl ik bezig was over dat in het wit kleden voor een foto voerde ik met mijn rechterhand een naar binnen halende beweging uit die me ineens zo innemend en vrouwelijk leek, dat ik de hele sequens herhaalde – zowel de tekst als de choreografie – nog drie keren, telkens mooier, en het perfectioneren van die geste slorpte me zo op dat ik mijn boosheid en de reden ervan vergat en ik zelfs niet geïrriteerd werd toen van achter de bocht het silhouet van een man opdook. Ik heb er zelfs even over gedacht dat, als het de man met de losgeknoopte jas zou zijn, ik dan graag met hem enkele voor de hand liggende, maar emotioneel gekleurde opmerkingen had gewisseld. Maar het was niet de man met de losgeknoopte jas, maar een jongere man, die ongeveer het volgende liedje zong:

 

Ik zag eens een huisje, daar woonde Forel,                    Het staat bij een beekje, met een bordje ‘Forel’.

Zo weet ik dat Forel daar verpoost

Wie hij ook is en met wie hij ook voost.

 

Het gebeurt dat de zon ondergaat achter de bergen en dat de nacht valt, maar dat betekent niet dat je meteen kan zeggen dat de voorbije dag er een was waarop je stierf of verliefd werd. Toch kan je op dat moment al die onbegrijpelijke dag, waarvan je niet weet wat hij betekent, prijzen en ook dat is soms aangenaam, zelfs als later blijkt dat je die dag niet deelnam aan de dood noch aan de liefde.

Wat de liefde betreft, dat ging bij mij altijd anders. Ik had eens een vriend met wie ik voor verschillende zaken het land rondreed. Naar conferenties, met zijn auto. Zo waren we op een keer aan het rijden en hadden we aan onze rechterkant een aanhangwagen om paarden mee te vervoeren, die we aan het inhalen waren. Ik kijk steeds naar die aanhangers in de hoop een glimp van een paard op te vangen, en dus was ik ook deze keer naar de aanhangwagen aan het kijken toen onze auto tegen een auto aanreed die van de andere kant kwam. Ik was naar de onzichtbare paarden aan het kijken door een plaat van geel blik en beeldde me in wat die onzichtbare paarden aan het doen waren. Veel konden ze niet doen, als ze er al waren, want ze hadden te weinig plaats en ze werden door elkaar geschud, maar ik dacht aan ze, terwijl ik beter had kunnen denken aan wat ik zou zeggen aan de vrouw van mijn vriend. Op een keer had ik voor mezelf en mijn zus tickets gekocht voor een concert, maar mijn zus werd ziek en we konden niet gaan. De tickets die ik gekocht had waren waarschijnlijk de laatste twee tickets voor dat concert en het was uitverkocht een uur nadat de ticketverkoop was gestart. Dat soort van tickets waren het. Iedereen wilde ze hebben en de vrouw van mijn vriend wilde ze ook. Als we toen dat ongeval met de paarden hadden gehad, dan zou ik naar haar kunnen bellen en zeggen:            ‘Ik kan u weliswaar niet zeggen wie ik ben en met uw man gaat het heel beroerd. Maar ik heb voor u twee tickets voor dat concert waar u zo graag naartoe wil.’ En ik zou ook kunnen vragen, van volwassen vrouw tot volwassen vrouw: ‘Hoe regelen we dat?’           Maar nu kon ik haar hoe niet vragen hoe we het zouden regelen, want ik had hun die tickets eerder al gegeven, die aanhanger uit geel blik was niet voorzien. En ik zou helemaal niets hebben hoeven regelen als ik hem niet mee naar de bioscoop had genomen vóór hij mijn vriend werd. Het was zomer en er was niemand anders, maar daar had ik geen spijt van want ik wilde alleen hem uitnodigen. In de bioscoop was het zo donker en koel dat we bij het buitenkomen misschien wel niet hadden verwacht om weer de middag en de hoogzomer aan te treffen die we buiten hadden gesloten en die we in wezen niet hebben aangetroffen.

Ik heb een zeer slechte herinnering aan het begin van die liefde. Ik weet niet hoe dat bij jullie zit, girls, maar eerste seks vind ik niet leuk. Ik bestudeerde mijn nog-niet-vriend in het donker en dacht dat ik met dankbaarheid een waterstofbomexplosie zou accepteren die alles in een straal van tien meter om me heen zou wegblazen als hij, op wie ik al stilaan verliefd werd, niet verder van me zou zijn dan mijn spiegelbeeld met zo’n streep erdoor als spiegels op auto’s: het weerspiegelde object is dichterbij dan het lijkt. Ik keek en keek tot ik me met mezelf  op hem verplaatste terwijl ik mijn jurk optrok. Het enige dat ons toen verbond was de  onverschilligheid voor een explosie, en toen ik naar mijn fauteuil terugkeerde, kwam er

een jurkje uit mijn kindertijd te voorschijn, blauwgeruit, ingekort, ik zag hoe het zijn pofmouwtjes naar me uitstak, zwevend in de donkere mandorla. Toen begon ik te denken over wat ik gedaan had, en ook na te denken over wie van ons het eerst zou inzien wat ik gedaan had. En o God, smeken dat hij het niet vóór mij zou inzien.

En de dag daarop was het weer gewoon. Ik loop door het park in de ene richting, op het bankje zit een fietser. Ik loop terug, op het bankje zit een vrouw met een kinderwagen. Ze hangt een luier voor de kap,  ik weet dat het tegen de zon is, maar het lijkt alsof ze haar erg lelijk en erg ziek kind wil verstoppen voor de wereld, en het afdekken als een kanariepietje, omdat die met één boze blik de wereld en de mensen naar een maïsveld kan sturen. Welke kanaries doen dat? Die moeten zo groot zijn als ossen. Dat betekent dat ik mijn vriend pas volgende donderdag zal zien. Ik zeg niet dat mijn hart kilometers ver weg is, hoewel ik het graag zo mooi zou uitdrukken. Mijn hart zit nog steeds in mij, maar heel laag.

Ook heel gewoon gaat het met eten. Ik vind een halve grapefruit, en eet hem op. Vind ik er geen, dan eet ik hem niet. Staat er een glazen pot, dan lik ik hem uit, want iedere pot verdient het om met de tong te worden uitgelikt. Ik mors de hele tijd, dus loop ik de hele tijd nat. Ik mors de hele tijd, dus lik ik de hele tijd iets af. Liefde, en behalve dat een landschap na de bom, hoewel we in principe proberen om eens ergens samen naartoe te gaan of eens ergens samen naartoe te rijden en te overnachten, of eens ergens te gaan eten in iets dat in een recensie in de krant stond. Toen het niet gelukt was met die tickets voor het concert, maakten we van de gelegenheid gebruik om de Pommerse molens te gaan bekijken. Curieus wat hij thuis had gezegd, waar hij naartoe ging, maar zo’n dingen herinnert men zich niet, daar dient de bom voor.            ‘Heb je er al over gedacht in welke vorm je lichaam zal verrijzen bij het Laatste Oordeel?’ vroeg ik als Zanussi aan de voet van een heuvel, waar een hermetisch gesloten molen op stond. Hangsloten aan de deuren, de luiken, raar dat ze de wieken niet met kettingen hadden vastgemaakt. Hij had het niet begrepen.

‘Welk moment van jouw lichaam was jouw David van Michelangelo, heb je daar over nagedacht? Met welk lichaam kom je voor God?’           ‘Niet over nagedacht. Maar jij wel!’ zei mijn vriend.

Ik begon te stralen omdat ik nu kon zeggen waarom ik niet bang was voor het Laatste Oordeel.

‘Voor mij ben je nu David. Het is altijd nu.’           Maar dat was maar een constructie.

We brachten toen de nacht door in zo’n kamer waar op één raam stond geschreven Raam niet om te openen want daarachter huizen wespen. Het kleine raam aan de overkant openen, en op het raam langs de andere kant stond: Dit raam mag open. Ik denk dat het toen was dat ik zag dat hij striemen op zijn nieren had. Natuurlijk had ik zijn nieren nooit gezien, maar ik troost me dat zijn vrouw ze ook niet gezien heeft. Sowieso hadden weinig mensen ze gezien en zeker niet voor ons ongeval. Hij had die striemen op zijn rug, ter hoogte van zijn nieren. Toen ik ze had gezien, begon ik ze later ook met mijn vingers te voelen. In die periode zou ik zelfs kunnen huilen op de wc als ik in plaats van een sms van mijn vriend een sms kreeg van een vriendin dat ze net bevallen was. Ik zou tranen met tuiten huilen, om me dan te moeten afvegen en op te staan. In die kamer met het raam dat niet open mocht lagen Griekse mythen, en ik betrapte mezelf bij het lezen ervan alsof het non-fiction was, en dat die Heracles een armzalig figuur was, dacht ik. ’s Ochtends wilden we er weer naartoe.            ‘ Er zijn immers mensen die de dood helemaal niet willen vermijden’, zei mijn vriend terwijl hij naar de slachtpartij keek die ik onder de vliegen had aangericht. Ik had ze in een aardig hoopje bijeengeveegd in de verste hoek van de kamer. ‘Weet je nog van die landbouwer op tv, die zei dat hij het liefst uien teelt omdat de hele oogst op één hoop kan worden gelegd?’ vervolgde mijn vriend. ‘Maar je kan immers alles op één hoop leggen. Iedere oogst. Maar ik zou liever de dood vermijden.’

‘Heb je daar een speciale reden voor?’      ‘Volgens mij hebben we na de dood nog minder tijd voor ons dan nu’, zei mijn vriend.

We reden een heel eind en stopten voor het middageten. Het was op het marktplein van een of andere stad en ze hadden er internet met als paswoord de naam van die stad, wat ik op voorhand had gecheckt in de vorige stad, waar een marktplein was met een hotspot met als paswoord de naam van die vorige stad. Ik deed mijn laptop open en las iets over een achtjarig meisje op wie de doelpaal was gevallen op de speelplaats. Ze was in kritieke toestand naar het ziekenhuis gevoerd. Dan aten we lunch en een dessert en deed ik weer mijn laptop open. De titel van het artikel was veranderd in Achtjarig meisje overleden na ongeval op speelplaats, maar de link in de zoekmachine bleef onveranderd Achtjarig meisje in kritieke toestand na ongeval op speelplaats.

‘ Hoe ziet die hemel er eigenlijk uit?’ vroeg mijn vriend terwijl hij zijn zonnebril afzette.         Hij was langs de ene kant helblauw, langs de andere kant zwart.        ‘ Wat mij intrigeert is wat er gebeurde tussen de kruisiging en de verrijzenis’, zei mijn vriend terwijl hij zijn zonnebril weer opzette, ‘Soms denk ik dat het een van de verhalen is die ik niet begrijp, maar zonder welke ik het lastig zou hebben.’

‘Een nacht van vrijdag op zondag,’ zei ik. ‘Ik vind dat ook.’

Ik had vaak een droom over mijn vriendin, dat ze stierf en ik ging naar haar lege keuken om haar te bewenen. Ze was gewoon ergens naartoe gegaan, maar mijn droom hield geen rekening met dat soort van nuances. Ik huilde zo verschrikkelijk dat ze op een nacht naar me toe kwam en zei dat de dood nog tot daaraan toe was, maar dat ik me in vredesnaam moet beheersen. Toen ze dat zei zat ik bij het raam op het keukenkastje met macaroni, bloem, suiker en gierst. Ik ging daar altijd zitten toen ze nog leefde. Mijn oma had een zomerhuisversie van dat kastje: een kist met een deksel bovenaan dat blauw geschilderd was. Zelfs als de vloer niet ieder jaar geschilderd werd, dan werd het deksel van dat kastje zeker iedere zomer geschilderd. In zomerhuiscondities voldeed een kist die van boven opengaat aan alle behoeften. Zittend op het kastje van mijn vriendin en huilend tot ik geen adem meer had, keek ik immers door het raam. Er zou iemand van het einde van de straat uit de duisternis aankomen met een jeep met vier lichten voorop. Hij kwam niet, maar de droom over de bewening van mijn vriendin ging ongemerkt over in een droom waarin ik door het raam keek in een totalitair land en een reusachtig, glanzend luchtschip zag, en daarna ontbeet ik bij de dictator. Het was iemands verjaardag en we zongen met de glaasjes in onze handen lang zal hij leven, en nog een tweede leven.

‘Waarschijnlijk zullen we geen tweede leven krijgen,’ zeg ik, terwijl de kelner de rekening op tafel legt.         Mijn hart klopt als gek, alsof ik net mijn naam en het patroon op mijn vingertoppen veranderd heb.

‘Misschien kunnen we daarover praten?’          We stappen in de auto, want het was een klein stadje en ze deden het al dicht.

‘Waar slaap je normaal het liefst, langs de kant van de muur of die van de kamer?’ vraagt mijn vriend, terwijl hij zich klaarmaakt om een gele aanhanger met paarden in te halen.

Wel, en niet erg lang daarna heb ik de liefde verlaten.

 

Vertaling: Rita Martynowski, maart 2017

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op februari 12, 2018 door in Fragmenten, Uncategorized en getagd als , , , , , .
%d bloggers liken dit: