Poolse literatuur

Website opgericht en beheerd door Stichting Literatura

‘De pop’ (HOOFDSTUK TWEE)

pop

Fragment uit de roman ‘De pop’ van Bolesław Prus, vertaald uit het Pools door Karol Lesman.

Hoofdstuk een – hier.

HOOFDSTUK TWEE

Het bewind van een oude klerk

De heer Ignacy Rzecki woonde al vijfentwintig jaar in een kamertje naast de winkel. In die tijd had de winkel gewisseld van eigenaar en vloer, kasten en glas in de ramen, waren en winkelbedienden; maar de kamer van de heer Rzecki was altijd dezelfde gebleven. Hij had hetzelfde trieste raam dat uitkeek op dezelfde binnenplaats, achter hetzelfde traliewerk waaraan een misschien wel vijfentwintig jaar oud spinnenweb hing en een in elk geval vijfentwintig jaar oud gordijn dat ooit groen maar nu uit heimwee naar de zon verschoten was.

Bij het raam stond dezelfde zwarte tafel, bedekt met een kleed dat ook ooit groen was geweest, maar nu slechts vol vlekken zat. Daarop een grote zwarte inktpot met een grote zwarte zanddoos die aan hetzelfde onderstel zat vastgemaakt, een paar geelkoperen kandelaars voor talkkaarsen die niemand meer aanstak en een stalen snuiter waarmee niemand meer de pit bijknipte. Een ijzeren bed met een heel dunne matras, met erboven een nooit gebruikt dubbelloops geweer en eronder een koffer met gitaar die aan een kinderlijkkist deed denken, een smalle met leer overtrokken canapé, twee eveneens met leer overtrokken stoelen, een grote metalen waskom en een kleine kast in cerise vormden het ameublement van deze kamer, die er door zijn lengte en de erin heersende schemer eerder aan een graftombe deed denken dan aan een woning.

Net als de kamer waren sinds een kwarteeuw de gewoonten van meneer Ignacy niet veranderd.

’s Ochtends werd hij steevast om zes uur wakker; dan lag hij nog even te luisteren of het op de stoel liggende horloge wel liep en keek hij naar de wijzers die samen één rechte lijn vormden. Hij wilde in alle rust opstaan, zonder veel omhaal, maar omdat hij koude voeten had en zijn enigszins verstijfde handen niet voldoende gehoorzaamden aan zijn wil, schoot hij plotseling overeind, sprong naar het midden van de kamer, rende na zijn slaapmuts op het bed te hebben geworpen naar de grote kom bij de kachel en waste zich daar van top tot teen, snuivend en proestend als een volbloed op leeftijd die aan de paardenraces terugdacht.

Tijdens het ritueel van het afdrogen met een ruwe badhanddoek keek hij met plezier naar zijn magere kuiten en zijn behaarde borst en mompelde: ‘En toch kom ik aan.’

In diezelfde tijd sprong zijn oude eenogige poedel Ir van de canapé en stond even later na kennelijk de laatste restjes slaap duchtig van zich te hebben afgeschud aan de deur te krabben, waarachter het noeste blazen in een samowar te horen was. Terwijl de heer Rzecki nog altijd doende was zich haastig te kleden, liet hij de hond naar buiten, zei goedemorgen tegen de huisknecht, haalde een theepot uit de kast, vergiste zich bij het knopen van zijn manchetten, rende naar de binnenplaats om te zien wat voor weer het was, brandde zich aan de hete thee, kamde zonder in de spiegel te kijken zijn haar, en om halfzeven was hij klaar.

Nadat hij had omgezien of de stropdas wel om zijn hals hing en zijn horloge en portemonnee in zijn zakken zaten, haalde meneer Ignacy uit het tafeltje een grote sleutel tevoorschijn en opende licht gebogen daarmee plechtig de met ijzer plaatwerk beslagen achterdeur van de winkel. Samen met de huisknecht ging hij naar binnen, ze ontstaken enkele gasvlammetjes en terwijl de huisknecht de vloer aanveegde, las meneer Ignacy uit zijn aantekenboekje door een knijpbril het rooster van die dag voor: ‘Achthonderd roebel naar de bank brengen, aha…! Naar Lublin drie albums versturen, een dozijn portemonnees… Precies…! Naar Wenen een post cheque ter waarde van twaalfhonderd gulden… Van het spoor de levering afhalen… De zadelmaker aanmanen vanwege het niet-bezorgen van de koffers… Een bagatel…! Een brief aan Staś schrijven… Een bagatel…!’

Toen hij klaar was met lezen, stak hij nog wat vlammetjes aan en bij de weerschijn daarvan deed hij een ronde langs de waar in de vitrines en de kasten.

‘Manchetknopen, spelden, portemonnees… goed zo… Handschoenen, waaiers, stropdassen… ja ja. Wandelstokken, parasols, reistassen… En hier, de albums, de necessaires… Die saffierblauwe is gisteren verkocht, natuurlijk…! Kandelaars, inktpotten, pressepapiers… Porselein… Ik ben benieuwd waarom ze die vaas hebben omgedraaid…? Zeker… Nee, hij is niet beschadigd… Poppen met haar, een theater, een carrousel… Voor morgen moeten we de carrousel maar in de etalage zetten, want de fontein is inmiddels zo alledaags geworden. Een bagatel…! Het loopt al tegen achten… Ik wed dat Klejn de eerste zal zijn en Mraczewski de laatste. Natuurlijk… Hij heeft een of andere gouvernante leren kennen en heeft voor haar al een necessaire op rekening en met korting gekocht… Uiteraard… Zolang hij maar niet zonder korting gaat kopen en niet op rekening…’

Zo liep hij mompelend door de winkel, licht gebogen, met de handen in de zakken en de poedel achter hem aan. Zo nu en dan bleef het baasje staan om naar een of ander voorwerp te kijken en dan ging de hond op de vloer zitten en krabde met zijn achterpoot in zijn dikke, warrige haren en staarden de in een rijtje in een kast opgestelde poppen, klein, middenmaat en groot, met zwart en blond haar, hen met doodse ogen aan.

De gangdeur kraakte en daar was de heer Klejn, een broodmagere winkelbediende, met een trieste glimlach rond de blauwe lippen.

‘Als ik het niet dacht, ik wist dat u de eerste zou zijn. Goedemorgen,’ sprak meneer Ignacy. ‘Paweł! Doof het licht en doe de winkel open.’

De huisknecht kwam naar binnen gesloft en draaide het gas dicht. Even later waren het gekras van deurgrendels en het gekletter van staven te horen en kwam het daglicht de winkel binnenval- len, de enige klant die de zakenman nooit teleur zal stellen. Rzecki ging aan zijn schrijftafel bij het raam zitten. Klejn nam zijn vertrouwde plek bij het porselein in.

‘De patroon is nog niet terug, u hebt nog geen brief ontvangen?’ vroeg Klejn.

‘Ik verwacht hem half maart, hoogstens over een maand.’

‘Als hij niet door een nieuwe oorlog wordt tegengehouden.’

‘Staś… Meneer Wokulski,’ corrigeerde Rzecki zich, ‘schrijft dat er geen oorlog komt.’

‘De koersen dalen anders wel, en ik las net dat de Engelse vloot de Dardanellen binnen is gevaren.’ ‘Dat zegt niks, er komt geen oorlog. Trouwens,’ verzuchtte me- neer Ignacy, ‘wat kan ons een oorlog schelen waar geen Bonaparte aan deelneemt.’

‘De Bonapartes zijn klaar met hun carrière.’

‘Waarlijk…?’ glimlachte meneer Ignacy ironisch. ‘En ten faveu- re van wie mogen Mac-Mahon en Ducrot in januari die staatsgreep dan wel hebben gearrangeerd…? Gelooft u me, meneer Klejn, het bonapartisme is een macht van formaat…!’

‘Er is een grotere.’

‘En wat mag dat dan wel wezen?’ reageerde meneer Ignacy ver- bolgen. ‘Misschien een republiek met Gambetta…? Bismarck soms?’

‘Het socialisme…’ fluisterde de broodmagere winkelbediende terwijl hij zich achter het porselein verschool.

Meneer Ignacy plantte zijn knijpbril wat steviger op de neus en kwam op zijn stoel overeind, alsof hij in één beweging een nieuwe theorie wilde weerleggen die tegen zijn opvattingen indruiste, maar daarin werd hij gehinderd door de binnenkomst van een andere winkelbediende met een baardje.

‘Een goedendag, mijn waarde heer Lisiecki!’ wendde hij zich tot de nieuwkomer. ‘Een koude dag vandaag, nietwaar? Hoe laat mag het wel niet zijn in de stad, want mijn horloge loopt zeker voor. Volgens mij is het nog geen kwart over acht…?’

‘Het idee…! Uw horloge loopt ’s ochtends altijd voor en ’s avonds achter,’ antwoordde Lisiecki bits terwijl hij de rijp van zijn snor veegde.

‘Ik durf te wedden dat u gisteren een partijtje préférence hebt gespeeld.’

‘Reken maar. Dacht u soms dat de aanblik van die galanterieën van jullie en uw grijze hoofd voor een hele dag voor mij voldoende zou zijn?’

‘Wel, mijnheer, ik ben liever een beetje grijzend dan kaal,’ zei meneer Ignacy verontwaardigd.

‘Het idee…!’ siste de heer Lisiecki. ‘Mijn kaalheid, als iemand die al wil zien, is een trieste familie-erfenis, maar uw grijze haren en norse karakter zijn de vruchten van de ouderdom die… ik zou willen respecteren.’

De eerste klant kwam de winkel binnen: een vrouw, gehuld in een ouderwetse mantel en een hoofddoek, die om een koperen kwispedoor vroeg. Meneer Ignacy maakte een diepe buiging en bood haar een stoel, terwijl de heer Lisiecki achter de kasten verdween en even later terugkwam om de cliënte met een waardige beweging het gewenste voorwerp te overhandigen. Vervolgens schreef hij de prijs van de kwispedoor op een briefje, gaf dat over zijn schouder door aan Rzecki en ging met de uitdrukking van een bankier die zojuist enkele tienduizenden roebels voor een liefdadigheidsdoel heeft gedoneerd, weer achter zijn toonbank staan.

De ruzie over de grijze haren en het kale hoofd was uit de wereld.

Pas rond negen uur kwam, of liever gezegd stormde de heer Mraczewski de winkel binnen, een mooie, blonde jongeman van iets over de twintig, met ogen als sterren, een koraalrode mond en een snorretje als twee giftige stiletto’s. Hij kwam in een wolk van geuren naar binnen gestoven en riep vanaf de drempel: ‘Ik durf te wedden dat het al halftien is. Ik ben een losbol, ik ben een nonvaleur, ik deug niet, maar kan ik het helpen dat mijn moeder ziek is en ik een dokter moest gaan halen. Ik heb er wel zes bezocht…’

‘Zeker bij degenen wie u necessaires schenkt?’ vroeg Lisiecki.

‘Necessaires…? O, nee. Onze dokter zou nog geen speld aannemen. Hij is een deugdzaam man… Meneer Rzecki, is het echt waar dat het al halftien is? Mijn horloge is stil blijven staan.’

‘Het is bij-na ne-gen uur…’ antwoordde meneer Ignacy met de nodige nadruk.

‘Pas negen uur…? Nou, nou, wie had dat gedacht! En ik had me nog wel voorgenomen om vandaag als eerste in de winkel te zijn, nog voor de heer Klejn…’

‘Om vervolgens voor achten de winkel weer te verlaten,’ be- moeide de heer Lisiecki zich ermee.

Mraczewski staarde hem met zijn felblauwe ogen aan, waarin zich opperste verbazing aftekende.

‘Hoe weet u dat…?’ antwoordde hij. ‘Nou zeg, erewoord, die man heeft een profetische gave! Inderdaad vandaag, erewoord… moet ik voor zeven uur in de stad zijn, al zou het me mijn leven kosten, al zou ik… er ontslag voor moeten nemen…’

‘Begint u daar dan mee,’ viel Rzecki uit, ‘dan bent u nog voor elf uur vrij, wat heet, nu reeds, op dit moment, meneer Mraczewski. U zou graaf moeten zijn, geen verkoper, en het verbaast me dat u niet meteen voor dat beroep hebt gekozen, waarbij een mens altijd tijd heeft, meneer Mraczewski. Natuurlijk!’

‘Kom, kom, u zult in uw tijd toch ook weleens achter de meisjes aan hebben gezeten,’ zei Lisiecki. ‘Waarom nu zo de moraalridder spelen.’

‘Ik heb nooit ergens achteraangezeten!’ riep Rzecki uit terwijl hij met zijn vuist op zijn schrijftafel sloeg.

‘Eindelijk komt hij er voor uit dat hij zijn leven lang een sukkel is,’ mompelde Lisiecki tegen Klejn, die in een glimlach beide wenkbrauwen hoog optrok.

Een tweede klant betrad de winkel en verlangde overschoenen. Mraczewski liep op de man toe. ‘De waarde heer wenst overschoentjes? Welke maat als ik vragen mag? Ach, de waarde heer weet het zeker niet meer! Niet iedereen heeft de tijd om na te denken over de maat van zijn overschoenen, dat is onze taak.

De waarde heer vindt het goed als we even passen…? Zou u zo vriendelijk willen zijn even op het krukje plaats te nemen? Paweł! Breng eens een handdoek, doe meneers overschoenen uit en veeg zijn schoenen af…’

Paweł kwam met een doek naar binnen gerend en wierp zich voor de nieuwkomer ter aarde.

‘Maar meneer, neemt u me niet kwalijk…!’ zei de verbouwereerde klant in een poging zich te verontschuldigen.

‘Staat u me toe,’ sprak Mraczewski snel. ‘Dit is onze plicht. Volgens mij zijn deze goed,’ ging hij verder, waarbij hij een paar met een touwtje aan elkaar gebonden overschoenen overhandigde. ‘Schitterend, ze zien er fantastisch uit… de waarde heer heeft ook zo’n normale voet dat het ondenkbaar is dat je je in de maat zou kunnen vergissen. De waarde heer wenst zeker ook dat we zijn initialen erin aanbrengen… wat mogen dat voor lettertjes zijn…?’

‘L.P.,’ mompelde de klant die het gevoel had kopje-onder te gaan in de bruisende spraakwaterval van de beleefde winkelbediende.

‘Meneer Lisiecki, meneer Klejn, wilt u zo vriendelijk zijn de lettertjes aan te brengen. De waarde heer wenst dat de oude overschoenen worden ingepakt? Paweł! Veeg de overschoenen af en wikkel ze in wat vloeipapier. Of wenst de waarde heer misschien niet te worden gehinderd door een overbodige last? Paweł! Doe de overschoenen in de doos… Dat is dan twee roebel vijftig kopeke… Uw overschoenen met initialen zullen nu door niemand kunnen worden verwisseld, want het is hoogst onaangenaam om in plaats van net aangeschafte spullen ouwe troep aan te treffen… Twee roebel vijftig kopeke te voldoen bij de kassa, met behulp van dit kaartje. Meneer de kassier, vijftig kopeke wisselgeld graag voor de waarde heer…’

Voordat de klant goed en wel was bekomen, had men hem de overschoenen al aangedaan, het wisselgeld teruggegeven en hem met diepe buigingen naar de deur begeleid. De cliënt bleef nog een tijdje op straat staan, gedachteloos starend naar de etalage waarachter Mraczewski hem een zoete glimlach en een stralende blik toewierp. Uiteindelijk maakte hij een wegwerpend gebaar en vervolgde zijn weg, misschien wel denkend dat in een andere winkel overschoenen zonder initialen hem tien zloty zouden hebben gekost.

Meneer Ignacy wendde zich tot Lisiecki en schudde zijn hoofd op een manier die getuigde van bewondering en tevredenheid.

Mraczewski zag deze beweging vanuit een ooghoek, liep tot bij Lisiecki en zei toen halfluid: ‘Moet u nou toch zien, lijkt die oude van ons en profil niet sprekend op Napoleon iii? Die neus… die snor… dat puntbaardje…’

‘Dan toch op een Napoleon met galstenen,’ antwoordde Lisiecki.

Op deze grap reageerde meneer Ignacy afkeurend met een vertrokken gezicht. Overigens mocht Mraczewski die avond voor zeven uur vertrekken en een paar dagen later kreeg hij in het persoonlijk memorandum van Rzecki de volgende notitie: ‘Hij zat bij De hugenoten op de achtste rij stalles naast ene Matylda…???’

Hij zou troost kunnen putten uit de gedachte dat in datzelfde memorandum eveneens aantekeningen stonden over zijn beide andere collega’s, maar ook over de kassier, de bodes, ja zelfs over de huisknecht Paweł. Hoe kwam Rzecki aan al die details uit het leven van zijn medewerkers? Dat was een geheim dat hij aan niemand toevertrouwde.

Na eerst de kas te hebben overgedragen aan Lisiecki, die hij ondanks het voortdurende gebakkelei het meest vertrouwde, verdween meneer Ignacy rond één uur ’s middags naar zijn kamertje om er zijn bij een restaurant gehaalde middagmaal te nuttigen. Tegelijk met hem verliet Klejn de winkel en was om twee uur weer terug; vervolgens bleven hij en Rzecki in de winkel en gingen Lisiecki en Mraczewski eten. Om drie uur was iedereen weer op zijn plek.

Om acht uur ’s avonds werd afgesloten; de winkelbediendes gingen huns weegs en alleen Rzecki bleef achter. Hij deed de dagelijkse afrekening, controleerde de kas, stelde het werkplan op voor de volgende dag en ging bij zichzelf na: was alles gedaan wat van- daag gedaan had moeten worden? Voor elke verwaarloosde kwestie betaalde hij met lange slapeloosheid en naargeestige dromen over de teloorgang van de winkel, de prompte ondergang van de Bonaparte-dynastie en over het feit dat alles waar hij in het leven zijn hoop op had gevestigd, slechts flauwekul was.

‘Er komt allemaal niets van terecht! We zijn reddeloos verloren!’ verzuchtte hij dan, woelend in zijn harde beddengoed.

Verliep de dag goed, dan was meneer Ignacy content. Dan las hij voor het slapengaan De geschiedenis van het Consulaat en het Keizerrijk of de krantenknipsels die de Italiaanse oorlog van het jaar 1859 beschreven of haalde hij, wat niet zo heel vaak gebeurde, zijn gitaar onder zijn bed vandaan en speelde daarop de Rákóczimars, met een tenor van twijfelachtige kwaliteit meezingend.

Later droomde hij dan van uitgestrekte Hongaarse laagvlakten, van donkerblauwe en witte lijnen van in rookwolken gehulde legers… De volgende dag had hij steevast last van een somber humeur en klaagde hij over hoofdpijn.

Tot de meer aangename dagen behoorde wat hem betreft de zondag; dan maakte hij immers de plannen voor wat er een week lang in de etalage moest komen, om vervolgens deze plannen uit te voeren.

In zijn opvatting waren de etalages niet alleen een samenvatting van het aanbod van de winkel, maar moesten ze ook de aandacht trekken van de voorbijgangers door ofwel de meest modieuze waar dan wel een prachtige uitstalling of een aardigheidje. De rechter etalage, die was voorbestemd voor de luxeartikelen, herbergde meestal een bronzen beeld, een porseleinen vaas, de volledige inrichting van een boudoirtafel, waaromheen albums, kandelaars, portemonnees, waaiers lagen uitgestald, aangevuld met wandel- stokken, parasols en een ontelbaar aantal kleine maar elegante voorwerpen. In de met stropdassen, handschoenen, overschoenen en parfums gevulde linker etalage nam meestal bewegend speelgoed een centrale plaats in.

Soms ontwaakte gedurende deze eenzame bezigheden het kind in de oude klerk. Dan haalde hij alle mechanische speeltjes tevoorschijn en stalde hij deze uit op tafel. Er was een beer die in een paal klom, er was een kraaiende haan, een muis die kon rondrennen, een trein die over rails reed, een circusclown die op een paard galoppeerde en nog een tweede clown met zich mee droeg, en enkele paartjes die een wals dansten op de tonen van een onduidelijk stukje muziek. Al deze figuren werden door meneer Ignacy opgedraaid en allemaal tegelijk in beweging gezet. En als de haan begon te kraaien en te klepperen met zijn stijve vleugels, als de dode paartjes dansten, waarbij ze voortdurend tegen elkaar op botsten en dan weer stilvielen, als de loden passagiers van het treintje zonder bestemming hem verbaasd begonnen aan te kijken, en als die hele poppenwereld bij het flakkerende gaslicht tot fantastisch leven kwam, begon de oude klerk met zijn hoofd leunend op zijn ellebogen stilletjes te lachen en mompelde hij: ‘Hihi! Waar gaan jullie heen, reizigers…? Waarom haal je zulke halsbrekende toeren uit, acrobaat…? Wat heb je eraan om elkaar zo vast te pakken, dansers…? De veer loopt af en jullie gaan allemaal weer terug in de kast. Flauwekul, alles is flauwekul…! En jullie, als jullie konden denken, zouden weleens het idee kunnen hebben dat dit heel wat voorstelt…!’

Na deze en soortgelijke monologen pakte hij snel het speelgoed weer in en liep hij geïrriteerd rond in de lege winkel met die smerige hond van hem achter zich aan.

‘Handel is flauwekul… politiek is flauwekul… flauwekul is die reis naar Turkije… flauwekul is het ganse leven waarvan we ons het begin niet meer herinneren en het eind niet kennen… Waar is de waarheid…?’

Aangezien hij zulke zinnen soms hardop en in de openbaarheid uitsprak, werd hij als een zonderling beschouwd en plachten serieuze dames met huwbare dochters te zeggen: ‘Dat komt ervan als een man vrijgezel blijft!’

Zijn huis verliet meneer Ignacy zelden en slechts voor korte tijd en normaal gesproken slenterde hij dan wat door de straten waar zijn collega’s of ander winkelpersoneel woonden. Dan trokken zijn lange, donkergroene Algerijnse mantel of zijn tabaksbruine colbert, zijn asgrijze broek met de zwarte streep en zijn vale hoge hoed, maar vooral ook zijn schuchtere gedrag alom de aandacht. Meneer Ignacy wist dat en kreeg daardoor steeds meer een hekel aan wandelen. Op zon- en feestdagen bleef hij liever urenlang in bed liggen kijken naar zijn getraliede raam, waarachter de grauwe muur te zien was van het naburige huis dat slechts gesierd werd door één enkel eveneens getralied venster, waarin soms een kuipje boter stond of het levenloze lichaam van een haas hing.

Maar hoe minder hij buiten kwam, des te vaker droomde hij van een verre reis naar het platteland of naar het buitenland. Steeds vaker doken in zijn dromen groene velden en donkere wouden op, waar hij zou willen ronddolen, terugdenkend aan zijn jonge jaren. Langzaam werd in hem het stomme verlangen naar die landschappen wakker, dus besloot hij onmiddellijk na de terugkeer van Wokulski ergens voor een hele zomer naartoe te gaan.

‘Tenminste nog één keer voor ik doodga, maar dan wel voor een paar maanden,’ zei hij tegen zijn collega’s die om onduidelijke redenen om deze projecten moesten lachen.

Vrijwillig gescheiden van mens en natuur, ondergedompeld in de woelige maar benauwende maalstroom van winkelbelangen, voelde hij almaar sterker de behoefte om met iemand van gedachten te wisselen. En omdat hij sommigen niet vertrouwde en anderen niet naar hem wilden luisteren en Wokulski er niet was, ging hij dus maar in gesprek met zichzelf en hield hij in het diepste geheim een dagboek bij.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op juni 10, 2015 door in Fragmenten en getagd als , , , , , , .
%d bloggers liken dit: