Poolse literatuur

Website opgericht en beheerd door Stichting Literatura

Literaire non-fictie: een Poolse specialiteit

OLGA NIZIOŁEK EN ŁUKASZ KOTERBA

100 na 100‘Fransen zeggen mij dat Gottland een essaybundel is, volgens Duitsers is het een bundel korte verhalen en volgens Russen is het een verzameling historische schetsen. Zij zijn erg verbaasd als ik hun vertel dat het bij ons gewoon als een journalistieke reportage wordt beschouwd,’[1] aldus Mariusz Szczygieł over de vertalingen van zijn succesvolle literaire non-fictieboek Gottland (European Book Prize 2009). Mariusz Szczygieł is een van de bekendste Poolse non-fictie auteurs van het moment.

Misschien zijn deze woorden een goede verklaring voor het succes van Poolse literaire non-fictie in het algemeen: iedereen ziet er iets anders in. Acht jaar na de dood van Ryszard Kapuściński (1932-2007), de wereldwijd gelauwerde journalist, bloeit het genre in Polen als nooit tevoren. Ook het internationale publiek ontdekt aanstormend talent van de literaire non-fictie uit Warschau en omstreken. Hoe kan het dat journalistiek een Poolse specialiteit is geworden en waarom is ze zo populair in binnen- en buitenland?

Reportage à la Polonaise: het recept

‘Als je niet over de algemene situatie kunt schrijven schrijf je over de details, en de lezer trekt dan zelf zijn conclusies,’[2] zei Małgorzata Szejnert, een andere grootheid van de Poolse journalistiek. Dat was het geheim van het succes van Poolse literaire non-fictie tijdens het communisme – en overigens ook daarna. Omdat er vanwege de censuur veel niet direct gezegd mocht worden, beschreven journalisten individuele gevallen, hun dagelijkse problemen, drama’s en frustraties. Of ze reisden naar verre landen om over exotische dictaturen te schrijven die vaak in verdacht veel opzichten op de Poolse werkelijkheid leken, zoals Kapuściński deed. Zijn beroemde meesterwerk De keizer (1983) gaat over het hof van de Ethiopische keizer Haile Selassie. Voor vele Poolse lezers was het echter een metafoor voor de verhoudingen binnen de Poolse Communistische Partij en voor veel buitenlandse lezers was het een analyse van dictatoriale regimes in het algemeen.

keizer

Poolse journalistiek tijdens het communisme ging dus vaak over kleine dingen zoals een ontslagen arbeider, een klein stadje of een burenruzie; anderzijds beschreef ze gebeurtenissen ver weg zoals de revolutie in Iran, oorlogen in Afrika of onrust in Zuid-Amerika. Uiteindelijk waren deze teksten zo universeel dat zij vooral iets over mensen in het algemeen zeiden: over hun hoop, haat, afgunst, liefde, armoede of dromen over een betere toekomst.

Paradoxaal genoeg had de censuur voor de journalistiek ook een positieve, inspirerende kant. De auteur moest een vernuftig spel met de censor spelen en creatief zijn. Mag ik geen polemische stuk over het irrationele economische beleid van de Communistische Partij schrijven? Dan ga ik gewoon naar een fabriek om met de directie en de arbeiders te praten. In plaats van een snel geschreven, nijdige column over domme politici – iets dat in veel kranten van het vrije Westen een dagelijks ritueel was – moest de schrijver op zoek naar andere, minder directe journalistieke vormen. Dit werd vaak een reportage over een concrete persoon, plaats of gebeurtenis. Ja, het kostte meer tijd en meer alerte inspanning, want over elke zin, elk citaat en elke te beschrijven scène moest zorgvuldig worden nagedacht.

In vergelijking met hun westerse collega’s beschikten Poolse journalisten tijdens het communisme wel over veel tijd. De redacties waren groot, de oplages hoog en de kranten hoefden doordat er geen vrije markt bestond niet commercieel te zijn. Wiesław Łyka mocht van zijn hoofdredacteur van Prawo i Życie (‘Recht en leven’) jarenlang een schokkende moordzaak volgen: een paar dorpelingen uit Połaniec doodden op gruwelijke wijze tijdens de kerstnachtdienst bij de kerk drie jonge mensen (onder wie een achttienjarige zwangere vrouw) in de aanwezigheid van ongeveer dertig getuigen die daarna door de moordenaars gedwongen werden te zweren op God dat zij zouden zwijgen. En ze zwegen, heel lang. ‘Truman Capote maakte wereldwijd carrière met zijn verhaal over twee bandieten die een Amerikaans gezin om het leven brachten (In koelen bloede, 1966). Dat verhaal is in vergelijking met de gebeurtenis in Połaniec gewoon een triviaal incident,’ citeert Szczygieł in zijn anthologie[3] de woorden van Jerzy Urban, een Poolse (omstreden) journalist. Łyka’s reportages en zijn boek Nie oświadczam się (‘Ik getuig niet’) over deze zaak laten zien dat een getalenteerde journalist in het communistische Polen niet zelden juist in een betere positie verkeerde dan zijn westerse collega: hij kon meer tijd aan zijn verhaal besteden, aan onderwerpen was er in de absurde communistische staat en in de soms gedemoraliseerde samenleving geen gebrek, en wat betreft niet-politiek geladen onderwerpen (bijvoorbeeld ‘gewone’ moordzaken op het platteland) was ook de censuur in sommige periodes best mild.

Oog voor het detail, boeiende hoofdpersonages, een tragisch of absurd verhaal, geen mooischrijverij maar een simpele, laconieke stijl die bijna poëtisch is, geen grote woorden, ideeën of politiek maar alledaagse situaties en menselijke emoties die op elk continent herkenbaar zijn – dat waren en zijn nog steeds de ingrediënten van een Reportage à la Polonaise.

Tochman: harde vragen

De Nederlandse lezer die in zijn eigen taal deze emoties wil proeven, kan bijvoorbeeld kennis maken met Wojciech Tochman via zijn boek Dochtertje (Córeńka, 2005) in 2009 verschenen bij De Geus in de vertaling van Ewa van den Bergen-Makała, die ook het werk van Kapuściński vertaalde. In dit boek beschrijft Tochman zijn reis naar Bali om meer te weten komen over de laatste maanden van Beata Pawlak, een journaliste die daar omkwam bij de terreuraanslag in 2002.

dochtertje paperback.indd

De boeken van Tochman spelen zich af in verschillende landen, van Bosnië en Rwanda tot de slums van de Filipijnen, en er worden pijnlijke onderwerpen aangesneden. Tochman stelt er vragen bij, maar blijft de antwoorden schuldig. In Jakbyś kamień jadła (2002, ‘Steen eten’), het boek over de periode na de Bosnische genocide, vertelt hij meerdere verhalen over moordenaars en families van slachtoffers die naast elkaar moeten leven, over het proces van identificatie van de lijken en over de leegte en de onverklaarbare wreedheden. De hoofdstukken van Jakbyś kamień jadła hebben bijna zakelijke titels als ‘De kou’, ‘Kleren’, ‘De terugkomst’. De teksten hebben dezelfde koele stijl, maar bevatten verontrustende details. Mensen lopen in een zaal voorzichtig, om niets aan te raken met hun schoenen, langs een smal paadje tussen de kleren die na de genocide werden verzameld. Een bejaarde vrouw schikt een set kleding, al vanaf de ochtend, ze streelt de lege mouwen. Kamil Bałuk, een jonge Poolse journalist die onder andere in ‘Duży Format’, de wekelijkse bijlage van gerenommeerde krant Gazeta Wyborcza, publiceerde, bekent: ‘In mijn leven heb ik maar twee keer gehuild tijdens het lezen van een boek. Allebei de keren las ik Tochman.’

De teksten van Tochman zijn nuchter en ontroerend tegelijk. Het zijn geen tussendoortjes, je krijgt af en toe de neiging om ze weg te leggen. Of zoals Olga Tokarczuk het beschrijft: ‘Toch lees ik verder. Ik kan de mensen – de hoofdpersonages van dit verhaal – niet achterlaten.’[4]

Hugo-Bader: portretten in de kou

Wie de Poolse non-fictie in het Engels wil verkennen, heeft meer keuze. Naast de inmiddels klassiekers van Kapuściński behoort het werk van Jacek Hugo-Bader en de eerder genoemde Mariusz Szczygieł tot de aanraders.

dlugi_film_o_milosci_powrot_na_broad_peak_IMAGE1_312616_18

De eerste drie boeken van Jacek Hugo-Bader (1957) gaan over Rusland. Of, misschien treffender, over Russen. De journalist laat zijn toekomst voorspellen door een Siberische sjamaan, trekt op met daklozen, zuipt zich klem met Russische gangsters en weet van zijn ervaringen een meeslepend verhaal te maken. In zijn recentste boek,Powrót na Broad Peak (2014, ‘Terug op Broad Peak’), neemt Hugo-Bader deel aan een expeditie naar de Himalaya op zoek naar de lichamen van twee Poolse bergbeklimmers die daar zijn omgekomen. De reis roept vragen op over schuld, verantwoordelijkheid en bravoure – vragen die de lezer zelf moet beantwoorden.

Szczygieł: Tsjechische spiegels

Mariusz Szczygieł (1966) wist al heel vroeg dat hij non-fictieauteur wilde worden. Op zestienjarige leeftijd publiceerde hij al teksten in Na przełaj, een tijdschrift voor padvinders. Drie jaar later, in 1985, schreef hij voor dit magazine een reportage die voor algemene ophef zorgde. Nie róbcie sensacji (‘Maak er geen sensatie van’) gaat over een homoseksuele prostitué en wordt gezien als een van de eerste teksten over homoseksuelen en lesbiennes die ooit in de officiële pers van het communistische Polen verschenen is.

szczygiel  gottland fr_6450517

Sinds 2001 schrijft Szczygieł voornamelijk over buurland Tsjechië. In zijn Gottland (2008) passeren zeer verschillende personages uit het verleden de revue – onder anderen de actrice Lida Baarova, ‘de vrouw die Goebbels deed huilen’, en Otakar Szvec, een beeldhouwer die ’s werelds grootste monument ter ere van Stalin maakte maar bezweek onder de politieke druk en enkele weken voor de onthulling in Praag een einde aan zijn leven maakte.

In Zrób sobie raj (2010, ‘Maak je eigen paradijs’) ligt de focus op de hedendaagse Tsjechische maatschappij die haar cultuur als antidepressiva gebruikt. Zo worden pijnlijke gebeurtenissen gehuld in ironie of verzwegen, waardoor het eenvoudiger is om je met het leven te verzoenen. Deze verdraaiing ten behoeve van een goed humeur leidt tot situaties waarin het absurdistische zich mengt met het grappige. Zelf zegt Szczygieł hierover: ‘Als het niet verzonnen is, dan kan het alleen maar in Tsjechië zijn gebeurd.’ Als Poolse lezers hebben wij nog altijd de indruk dat Szczygieł ons een spiegel voorhoudt, maar buitenlandse critici (Gottland is in tien talen vertaald en werd bekroond met de European Book Prize 2009, opmerkelijk genoeg in de categorie ‘roman) hebben daar geen oog voor, en nemen het boek voor wat het is.

 large_szczygiel_raj

Poolse werkbezoeken

De Poolse literaire non-fictieauteur heeft veel gemeen met zijn landgenoot die asperges in Limburg steekt, een stukwerkbedrijfje in Newcastle opzet, als ICT-er in Sydney werkt of voor Armada een Nederlandstalige tekst over Poolse reportages schrijft: hij gaat graag voor zijn werk naar het buitenland. De namen van Tochman (Bosnië, Rwanda, Filipijnen), Hugo-Bader (Rusland, Himalaya) en Szczygieł (Tsjechië) zijn al gevallen. Aan dit lijstje kunnen nog verschillende namen worden toegevoegd: Wojciech Jagielski (oorlogsgebieden in Azië), Joanna Bator (journalistiek-essayistische stukken over Japan), Maciej Wasilewski (verre eilanden zoals Pitcairn en de Faeröer), Paulina Wilk (India), Paweł Smoleński (Israël), Artur Domosławski (Latijns-Amerika), Iza Klementowska (Portugal), Małgorzata Rejmer (Roemenië) en ook Witold Szabłowski (Turkije, Bulgarije) die onder andere dankzij de Stichting Literatura (waarvan wij beiden bestuursleden zijn) dit jaar voor het Haagse Writers Unlimited Festival uitgenodigd werd en daar dermate boeiend over zijn boek had verteld dat een Nederlandse uitgever meteen de vertaalrechten kocht. Een fragment uit zijnZabójca z miasta moreli (2008, Moordenaar uit de Abrikozenstad) was tevens het onderwerp van de vertaalwedstrijd georganiseerd door de Poolse ambassade in Den Haag en Stichting Literatura; de winnende vertaling van Gijs Franssen vindt u hier.

20150122211525_9

Na de val van het communisme was Polen zelf een interessante plek voor journalisten. Men hoefde nergens naartoe, er waren thuis genoeg verhalen. Nadat de situatie normaliseerde werd dat anders. ‘Jarenlang schreven wij allemaal over Polen en publiceerden er boeken over,’ vertelde Tochman begin 2015 in een interview met culture.pl.[5] ‘Vanuit ons professionele perspectief lijkt nu de wereld buiten Polen interessanter. Misschien moeten we blij zijn dat wij in zo’n niet echt leuk en wat saai land wonen. Want daar waar iets belangrijks gebeurt, is het meestal onrustig en wordt er veel geleden. De journalist voedt zich met de ellende, het onrecht. Het kwade, niet het goede is wat een reportage nodig heeft.’

Desalniettemin zijn er ook veel literaire non-fictieauteurs die over het huidige Polen schrijven en bijvoorbeeld in ‘Duży Format’ (bijlage van het dagblad Gazeta Wyborcza) en het weekblad Politykapubliceren. Lidia Ostałowska (1954) bijvoorbeeld schrijft vaak over etnische minderheden en publiceerde een aantal boeken over Poolse Roma. ‘Deze uitstekende, met passie en inlevingsvermogen geschreven reportages laten een geheimzinnige en fascinerende werkelijkheid zien die men betreedt vanaf de eerste pagina,’[6]schreef de grote meester Kapuściński over Ostałowska’s boek Cygan to Cygan (2000, ‘Een zigeuner is een zigeuner’). Journalist en fotograaf Filip Springer (1982) richt zijn interesse vaak op architectuur, zowel de communistische als die van na 1989. Zijn Wanna z kolumnadą (2013, ‘Badkuip met een colonnade’) geeft een humoristisch en tegelijkertijd triest beeld van alles wat in het nieuwe democratische Polen werd gebouwd. Een recensent noemde hem ‘de David Attenborough van de vaderlandse lelijkheid’.[7]

large_cygan

Zoals Springer de chaotische, destructieve impact van het wilde kapitalisme op de publieke ruimte van Poolse steden en dorpen in kaart brengt, zo kijkt Marcin Kołodziejczyk (1973) naar de prijs die de samenleving na 1989 zelf voor de vrijheid, de democratie en het kapitalisme betaalde. Naast de tientallen reportages uit alle hoeken van Polen die hij regelmatig voor Polityka schrijft, publiceerde hij ook twee bundels met teksten die zich op de grens van reportage en kort verhaal bevinden. In B. Opowieści z planety prowincja (2013, ‘B. Verhalen uit een planeet Platteland’) schetst hij een beeld van iets dat men in Polen een ‘B-Polen’ noemt: dorpjes en kleine steden die aanzienlijk armer, hopelozer en lelijker zijn dan bijvoorbeeld Krakau, Wroclaw of Warschau. Is het leven in de grote Poolse steden dan een paradijs? Nee, zegt scherpe observator Kołodziejczyk in zijn volgende bundel; in Dysforia. Przypadki mieszczan polskich (2015, ‘Dysforie. Verhalen over de Poolse burgerij’) laat hij zien dat ook de nieuwe burgerij, de middenklasse uit de hoofdstad, vol frustraties, geldzorgen en rancune zit.

Ook de bundel Najlepsze buty na świecie (2014, ‘De beste schoenen van de wereld’) van Michał Olszewski (1977), enkele maanden geleden bekroond met de prestigieuze Kapuściński-prijs, portretteert een Polen in transformatie. De bundels van Kołodziejczyk en Olszewski beschrijven een gefrustreerde samenleving die al meer dan twee decennia aan het vechten is om het welvaartsniveau en de levensstandaard van West-Europa te bereiken. Het is een strijd met veel slachtoffers.

Wie deze strijd op vaderlandse bodem niet aankan, kan altijd uitwijken naar het buitenland, zeker sinds Polen lid van de EU is. Dat er veel Polen het laatste decennium naar West-Europa geëmigreerd zijn, op zoek naar werk, geld en een beter leven, hoeft aan de Nederlandse lezers niet uitgelegd te worden. Ewa Winnicka beschrijft de grootste emigratiegolf sinds de toetreding van Polen in de EU, de Poolse emigratie naar Groot-Brittannië en dan voornamelijk Londen. Haar Angole (2014)[8] is een caleidoscopisch relaas van de talloze Polen die in het Verenigd Koninkrijk hun geluk beproeven. Van daklozen tot succesvolle bankiers, het kan alle kanten op. Ook deze strijd is niet zonder slachtoffers.

angole_new1

De nieuwe literaire non-fictie over het moderne Polen focust zich dus vaak op de grijze, soms donkere kanten van de samenleving die zich de laatste zesentwintig jaar voortdurend aan het veranderen, bevechten en bewijzen is. Het is geen reclame van een ‘mooi, gelukkig, snel groeiend, Europees Polen’ maar het kan niet anders want, om de woorden van de al geciteerde Tochman te herhalen: ‘De journalist voedt zich met de ellende, het onrecht.’ En die zijn er ook in Polen, zoals overal.

Leer Pools!

Poolse non-fictie is een van onze beste exportproducten. Polen promoot ons graag in het buitenland […]. Mits het boek er al is. […] De uitgevers schijnen geen geld te hebben voor het sponsoren van non-fictie, dus schrijvers nemen een lening om een boek te schrijven en doen er vervolgens jaren over om die terug te betalen,’ klaagt Wojciech Tochman in een recent interview.[9]

Toch krijgt Poolse non-fictie steeds meer structurele steun, mede dankzij Tochman. In 2010 heeft hij met Mariusz Szczygieł en Paweł Goźliński onder meer het Instytut Reportażu opgericht. Deze school voor journalistiek neemt jaarlijks ongeveer vijfentwintig studenten aan. Daarnaast ontplooide het Instytut nog een aantal initiatieven, zoals Wrzenie Świata (‘Bruisen van de Wereld’), een boekhandel annex café met uitsluitend non-fictieliteratuur, Faktyczny Dom Kultury (‘Het Feitelijke Cultuurhuis’), een ontmoetingsplaats voor journalisten, en de uitgeverij Dowody na Istnienie (‘Bewijzen van Bestaan’).

dowodynaistnienie3

De beste non-fictieboeken worden jaarlijks bekroond met de Grand Press, de onderscheiding van Teresa Torańska, Bursztynowy Motyl, de prijs van Beata Pawlak en de Ryszard Kapuściński-prijs. In het kader van deze laatste onderscheiding wordt ook een speciale prijs voor non-fictievertalers toegekend. Beginnende schrijvers van non-fictie kunnen bovendien een Ryszard Kapuściński-beurs winnen voor het produceren van hun eerste boek.

Kortom, droom je ervan om een non-fictieboek te schrijven, leer Pools. En vergeet niet: om één bladzijde te schrijven moet je eerst honderd pagina’s lezen, zoals Kapuściński ooit zei. Gelukkig is er in het Pools genoeg voortreffelijke non-fictie om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen.

[1] http://www.mariuszszczygiel.com.pl/599,blog/wpis-dla-zainteresowanych-reportazem

[2] http://www.mariuszszczygiel.com.pl/691,blog/jak-okradalem-malgorzate-szejnert

[3] 100/XX. Antologia polskiego reportażu XX w., een tweedelige, drie kilo zware, 1832 pagina’s tellende anthologie van Poolse non-fictieverhalen uit de twintigste eeuw, samengesteld door Mariusz Szczygieł. Uitgeverij Czarne, Warschau 2014.

[4] Olga Tokarczuk in een recensie van Jakbyś kamień jadła,http://wyborcza.pl/1,75517,1031678.html#ixzz3gXd8ReRj

[5] http://culture.pl/pl/artykul/wojciech-tochman-o-polskim-reportazu-wywiad

[6] https://czarne.com.pl/katalog/ksiazki/cygan-to-cygan

[7] http://filipspringer.com/ksiazki/wanna-z-kolumnada

[8] Het woord ‘Angole’ is een pejoratief Pools woord voor Engelsen.

[9] http://culture.pl/pl/artykul/wojciech-tochman-o-polskim-reportazu-wywiad

_______________________

Łukasz Koterba (1984) is journalist, beëdigd vertaler Nederlands-Pools, neerlandicus, tolk en adviseur. Hij studeerde journalistiek en sociale communicatie in Wrocław en Nederlandse taal en cultuur in Wrocław en Amsterdam (Vrije Universiteit). Sinds 2009 woont hij in Amsterdam. Hij schrijft over Nederland voor diverse Poolse media (o.a. maandblad “Press” en website niedziela.nl). Ook is hij een van de oprichters en voorzitter van de Stichting Literatura(http://literatura.nl), een stichting die Nederlandse literatuur in Polen en Poolse literatuur in Nederland promoot

Olga Niziołek (1988) is beëdigd vertaalster Pools. Zij studeerde Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit van Wrocław. Haar scriptie ging over vertaaltheorie op basis van de Nederlandse vertaling van Huis voor de dag, huis voor de nacht van Olga Tokarczuk. Zij woont in Amsterdam en is een van de oprichters van de Stichting Literatura.

Deze tekst verscheen eerst in “Armada. Tijdschrift voor wereldliteratuur”

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: