Poolse literatuur

Website opgericht en beheerd door Stichting Literatura

Icarus

Jaroslaw_Iwaszkiewicz

Jarosław Iwaszkiewicz (bron: commons.wikimedia.org)

Icarus

(vertaling: Gijs Franssen)

Er is een zeker schilderij van Bruegel met de titel “Icarus”. Als je dat schilderij bekijkt, dan zie je een boer die bij een hoge kustlijn een akker omploegt, een herder die onverschillig zijn kudde hoedt, een visser die zijn lijnen binnenhaalt, in de verte een rustige stad.  Op zee vaart een schip met volle zeilen, aan boord doen kooplieden hun zaken. Kortom, we zien hier het leven met al zijn dagelijkse zorgen, met zijn opeenhoping  van alledaagse menselijke beslommeringen en perikelen. Waar is Icarus? Waar is hij die trachtte naar de zon te vliegen? En pas als we het schilderij goed bekijken, dan zien we in een hoekje van de zee twee benen die boven het water uitsteken en enkele veren die boven het water in de lucht hangen, door de kracht van de val losgerukt van de lichtzinnig vervaardigde vleugels.

Zojuist is Icarus gevallen. De waaghals die zich vleugels aanbond – volgens de Griekse legende – steeg hoog op, zo hoog dat hij in de buurt kwam van de zon. Door de zonnestralen smolt de was waarmee hij de rijen van veren aan de vleugels bevestigd had, en de jongeling viel naar beneden. Het drama voltrekt zich – daar gaat hij onder en verdwijnt in de zee, maar niemand die het merkt. Noch de boer met zijn ploeg, noch de koopman op weg naar de horizon, noch de dagdromende herder  – niemand zag Icarus sterven. Slechts een enkele dichter of schilder bemerkte zijn dood en berichtte erover aan het nageslacht.

Altijd als ik stilsta bij een zekere belevenis uit het verleden, dan heb ik weer dat schilderij voor ogen. Het was in juni van het jaar 1942 of 1943. Een prachtige zomeravond viel over Warschau, een roze glans wierp fraaie schaduwen op de verwoeste muren, en de driftige beweging richting trams van de menigte op weg naar huis, zich haastend voor de avondklok,  verhulde de op dit tijdstip al schaarse uniformen achter een overvloed aan burgerkleding. Als je op dat moment naar de straten van Warschau keek, levendig en schitterend in het juniweer, zou het een moment lang kunnen lijken of de stad vrij was van de bezetter. Een moment lang…

Bruegel,_Pieter_de_Oude_-_De_val_van_icarus_-_hi_resbron: wikimedia.org

Ik stond op de hoek van de Trębackastraat en Krakowskie Przedmieście, bij de tramhalte. Melodieus klingelend strekte een lint van trams zich uit over Krakowskie Przedmieście, een rij van rode rompen. De mensen verdrongen elkaar om in te stappen, ze stonden op de treeplanken, klemden zich vast aan de bumpers, hingen in trossen van achterkant en zijkanten. Nu en dan schoot er een rode “nul” voorbij, louter bestemd voor Duitsers, dus zo goed als leeg. Ik moest nogal lang wachten op een tram met meer plaats. En toen er uiteindelijk een kwam, had ik geen zin om in te stappen, want opeens beviel het me de mij omringende massa, die mijn bestaan onverschillig aanvaardde. Vóór mij stond hoog op zijn sokkel Mickiewicz, eenvoudige bloemen bloeiden ondanks alles rondom het standbeeld en verspreidden een aangename geur, auto’s gingen bij de Karmelietenkerk piepend de bocht om, jongens verkochten luid roepend hun kranten, voor een flonkerende winkelruit wemelde het van handelaren in sigaretten of koek, traliewerk voor de deuren en ramen van winkels werd luidruchtig dichtgetrokken, in een parkje, met ouderen en jongeren samen op volgepakte bankjes, tjilpten de mussen, eveneens dicht tegen elkaar aan gedrukt op hun dunne twijgen – en dat alles zonk langzaam weg in de schemer van die zomeravond. Op dat moment hoorde ik het kloppend hart van Warschau en mijns ondanks bleef ik nog wat hangen in de menigte van mensen, om nog even met hen te verpozen en om samen met hen die stadse zomeravond te beleven.

Op zeker moment ontwaarde ik een jongeling die, komend uit de richting van de Bednarskastraat, nogal onverhoeds opdook vanachter een rode tram, die juist wegreed. Met zijn gezicht naar de rijbaan en zijn rug naar het gedrang, staande op de kleine vluchtheuvel waar de trams halt hielden, hield hij zijn ogen voortdurend gevestigd op het boek waarmee hij uit het schemerduister verschenen was. Hij was vijftien, hooguit zestien jaar oud. Al lezend schudde hij nu en dan zijn vaalgele haardos door elkaar en streek het haar van zijn voorhoofd. Eén boek stak uit zijn zak naar buiten, het andere hield hij gevouwen vlak voor zijn neus, duidelijk niet in staat om zijn ogen ervan af te houden. Hij had het waarschijnlijk zojuist bemachtigd bij een bekende of misschien in een geheime bibliotheek en nu, zonder te wachten tot hij thuis was, wilde hij onverwijld, nog op straat, kennis nemen van de inhoud. Het speet me dat ik niet kon zien welk boek het was, uit de verte leek het een handboek, maar geen enkel handboek zou bij een jongere toch een dergelijke belangstelling kunnen wekken? Misschien waren het gedichten? Misschien een of ander economieboek? Ik weet het niet.

De jongen bleef een moment lang op de vluchtheuvel staan, verdiept in zijn boek. Hij besteedde geen aandacht aan voorbijgangers die tegen hem aanstootten, aan de menigte die zich de tram in perste. Enkele rode schichten passeerden achter zijn rug, hij hield zijn ogen aldoor op het boek gericht. En met het boek nog steeds voor zijn neus – misschien omdat hij genoeg had van het gebots, van het geroep om hem heen, misschien omdat hij plotseling een onderbewuste aandrang voelde om zich naar huis te haasten – zag ik dat hij van de vluchtheuvel afstapte, de rijbaan op – recht onder een auto.

Een luid piepen van de remmen en het geluid van rubber op asfalt weerklonken, de auto veranderde abrupt van richting om de jongen te ontwijken en stond toen pardoes stil op de hoek van de Trębackastraat. Tot mijn schrik zag ik dat het een wagen van de Gestapo was. De jongen met het boek probeerde de auto voorbij te lopen. Maar op dat moment gingen de deurtjes aan de achterkant van de wagen open en twee figuren, helmen met doodskoppen op het hoofd, sprongen op de rijbaan. Ze stonden meteen naast de jongen. Eén van hen stond te schreeuwen met zijn keelstem, de andere nodigde hem spottend uit om in te stappen, met een wijds armgebaar.

Tot de dag van vandaag zie ik de jongen voor me, zoals hij daar bij de deurtjes van die wagen staat, verlegen, gewoonweg beschaamd… Hoe hij zich verweert met een ontkennende, naïeve hoofdbeweging, als een kind dat belooft dat hij het nooit meer zal doen… “Ik heb niets gedaan – leek hij te zeggen – ik was alleen maar…” Hij wees naar het boek, als naar de oorzaak van zijn onoplettendheid. Alsof er hier iets uit te leggen viel. Hij wilde niet instappen – het was de laatste reflex van zijn verloren leven.

De agent vorderde zijn papieren in, verscheurde de Kennkarte en duwde de jongen met een felle beweging naar de auto. De ander hielp hem mee, de jongen stapte in, toen de Gestapo-agenten, de deurtjes sloegen dicht, de wagen trok snel op en reed toen met hoge snelheid in de richting van de Szuchalaan…

De wagen was uit het zicht verdwenen. Ik keek rond, op zoek naar begrip, medeleven voor wat hier gebeurd was. De jongen met het boek was immers verdwenen. Hogelijk verbaasd realiseerde ik me dat de gebeurtenis niemand was opgevallen. Alles wat ik beschreven heb, verliep zo vlot, zo bliksemsnel, iedereen in de menigte op straat was zo druk en gehaast, dat de ontvoering van de jongen onopgemerkt bleef. De dames die naast me stonden steggelden over welke tram ze het beste konden nemen, twee heren staken achter de paal van de tramhalte een sigaret op, een vrouwtje bij een tegen de wand geplaatste korf herhaalde onafgebroken: “Citroenen, citroenen, mooie citroenen”, als een boeddhistische mantra, en andere jongens renden over de straat achter vertrekkende trams aan, met het risico om onder een andere auto te belanden…  Mickiewicz stond rustig op zijn sokkel en de bloemen geurden, de berkenboompjes en lijsterbessen naast het standbeeld deinden in een licht briesje, en er was niemand voor wie het verdwijnen van dit schepsel iets betekende. Alleen ik had gezien dat Icarus verdronken was.

Nog lang stond ik daar, wachtend tot het minder druk zou worden. Ik dacht dat “Michaś” – zo noemde ik hem in gedachten – misschien nog terug zou komen. Ik stelde me zijn huis voor, zijn ouders die op hem wachtten, zijn moeder die het avondmaal klaarmaakte, en het wilde er bij mij niet in dat ze er nooit achter zouden komen hoe hun zoon verdwenen was. De praktijken van onze bezetter kennende, kon ik me niet voorstellen dat hij nog uit hun klauwen zou ontsnappen. En wat een onnozele manier om gepakt te worden! De stompzinnige wreedheid van die ontvoering raakte mij diep, raakt me tot op de dag van vandaag.

Zij die in de strijd zijn omgekomen, zij die wisten waarvoor ze stierven, ze vonden misschien troost in de gedachte dat hun dood een bepaalde zin had. Maar hoevelen waren er niet zoals mijn Icarus, verdronken in een zee van vergetelheid om redenen zo wreed en stompzinnig.

De avond viel, de stad zakte weg in een koortsachtige, ongezonde slaap… Eindelijk verliet ik de halte, ik passeerde het standbeeld van Mickiewicz, te voet ging ik op weg naar huis… En aldoor zag ik in gedachten het beeld voor me van Michaś die zijn hoofd schudde, alsof hij zei: “Nee, nee, het kwam alleen door dat boek… ik zal voortaan opletten…”

Wij bedanken Czytelnik uitgeverij voor de toestemming voor de publicatie van deze tekst.

Meer over Jarosław Iwaszkiewicz

Meer over Gijs Franssen

geplaatst door Ł.K. 

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op augustus 21, 2014 door in Fragmenten en getagd als , , , , .
%d bloggers liken dit: