Poolse literatuur

Website opgericht en beheerd door Stichting Literatura

Mijn bericht aan de wereld (Jan Karski) – fragment

2097102-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800

Een fragment van het boek Mijn bericht aan de wereld  (Uitgeveriij Cossee) van Jan Karski, vertaald door Olaf Brenninkmeijer.

Meer over het boek. Meer over Jan Karski.

Wij bedanken hartelijk Uitgeverij Cossee voor de toestemming voor de publicatie van dit fragment.

karski_200

 

DE NEDERLAAG

Op de avond van 23 augustus 1939 was ik op een buitengewoon vrolijk feest. Het werd gegeven door de zoon van de Portugese ambassadeur in Warschau, de heer Susa de Mendes. Hij was van mijn leeftijd, ongeveer vijfentwintig, en hij en ik waren goede vrienden. Hij was de gelukkige broer van vijf bekoorlijke zussen. Een van hen ontmoette ik regelmatig en ik hoopte van harte dat ze er deze avond ook zou zijn.

Ik was nog niet zo lang terug in Polen. Nadat ik was afgestudeerd aan de Jan Kazimierz Universiteit in Lwów in 1935 en traditiegetrouw een jaar had doorgebracht op de cadettenschool van de rijdende artillerie, was ik naar het buitenland gegaan: naar Zwitserland, Duitsland en vervolgens naar Engeland, om onderzoek te doen op het zeer interessante en uitdagende vakgebied van de demografie. Drie jaar lang werkte ik in de grote bibliotheken van Europa aan mijn proefschrift, vergrootte mijn kennis van de Franse, Duitse en Engelse taal en raakte vertrouwd met de plaatselijke zeden en gebruiken. Toen werd ik naar Warschau teruggeroepen, omdat mijn vader was overleden.

Hoewel de demografie – de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar en de statistische beschrijving van de bevolking – mijn favoriete vakgebied was en bleef, werd me na verloop van tijd steeds duidelijker dat ik weinig of geen aanleg had voor het opstellen van wetenschappelijke verhandelingen. Het wilde maar niet vlotten met mijn dissertatie. Ik treuzelde en talmde en uiteindelijk werd het grootste deel van mijn proefschrift afgewezen. Deze mislukking was de enige donkere wolk – waarover ik me overigens geen al te grote zorgen maakte – aan de verder heldere en wolkenloze horizon van mijn toekomst.

Op het feest heerste een zorgeloze, vrolijke, ja bijna overdreven uitgelaten stemming. De enorme ontvangstruimte van de ambassade was misschien een beetje al te romantisch maar verder stijlvol aangekleed. Het koele blauw van het behang contrasteerde met de donkere tonen van de zware Italiaanse meubels. Het licht was gedempt en overal stonden rijk versierde vazen met bloemen op lange stelen, waarvan de geur zich mengde met de parfums van de feestelijk geklede dames. Het gezelschap was goed op elkaar afgestemd en al snel was de ruimte gevuld met geanimeerde gesprekken. Ik herinner me nog enkele gespreksonderwerpen: een vurig pleidooi voor de botanische tuin van Warschau die bepaald niet onderdeed voor doorgaans hoger gewaardeerde tuinen elders in Europa; uiteenlopende meningen over de heropvoering van het beroemde toneelstuk Madame Sans-Gêne; een beetje geroddel en steken onder water toen iemand ontdekte dat onze goede vrienden Stefan Leczewski en mademoiselle Marcelle Galopin uit de zaal verdwenen waren – zoals gewoonlijk. Over politiek werd amper gesproken.

We dronken wijn en dansten zonder ophouden, vooral de snelle Europese dansen. Eerst waren er een paar walsen, toen een tango, daarna weer een wals. Later op de avond deden Helene Susa de Mendes en haar broer ons de ingewikkelde danspassen van de Portugese tango voor.

In de loop van de avond maakte ik een paar afspraken voor de komende week. Uiteindelijk slaagde ik er zelfs in juffrouw de Mendes ervan te overtuigen dat ze geen betere gids voor Warschau zou kunnen vinden dan ik. Ik maakte een lunch- en een dinerafspraak met twee vrienden, de heren Leczewski en Mazur. Ik beloofde juffrouw Obromska dat ik haar de zondag daarop zou komen bezoeken, maar moest daar later op terugkomen toen me te binnen schoot dat mijn tante dan jarig was. Ik moest mademoiselle Galopin bellen en een nieuwe afspraak maken voor ons volgende paardrijtochtje.

Het feest duurde tot diep in de nacht. Het afscheidnemen duurde lang, buiten voor de deur bleven verschillende groepjes nog wat napraten en afspraken maken voor later die week. Ik was moe toen ik thuiskwam, maar zat nog zo vol opwindende plannen dat ik de slaap nauwelijks kon vatten.

Ik had het idee dat ik nog maar nauwelijks mijn ogen had gesloten toen er luid op de voordeur werd gebonsd. Ik kwam moeizaam mijn bed uit en liep de trap af, rende het laatste stukje zelfs toen het gebons steeds harder werd. Geërgerd rukte ik de deur open. Voor me stond een ongeduldige, nurkse politieagent, die me een rood briefje toestak, iets onverstaanbaars mompelde en toen weer in de nacht verdween.

Het was een geheim mobilisatiebevel. Ik moest Warschau verlaten en me binnen vier uur bij mijn regiment melden. Ik was tweede luitenant bij de artillerie, en mijn eenheid lag in Oświęcim), vlak bij de Duitse grens. Iets aan de manier waarop het bevel bij me bezorgd werd, misschien het ongewone tijdstip of het feit dat het zoveel plannen in de war stuurde, baarde me ernstig zorgen.

Ik maakte mijn broer en mijn schoonzus wakker. Ze waren niet in het minst onder de indruk of geschrokken en ik voelde me met mijn doodserieuze gezicht een beetje opgelaten.

Terwijl ik me aankleedde en mijn spullen pakte, bespraken we de situatie. We kwamen tot de conclusie dat het waarschijnlijk maar om een beperkte mobilisatie ging. Een handvol onderofficieren werd onder de wapenen geroepen om de bevolking te doordringen van de noodzaak waakzaam te blijven. Mijn broer en mijn schoonzus raadden me aan niet te veel mee te nemen en mijn schoonzus protesteerde toen ik verschillende stelletjes winterondergoed wilde inpakken.
‘Je gaat toch niet naar Siberië,’ zei ze en keek me daarbij aan alsof ik een romantische schoolknaap was. ‘Binnen een maand zien we je weer terug.’

Daar vrolijkte ik een beetje van op. Wie weet werd het nog een leuk uitje. Ik herinnerde me dat Oświęcim in een uitgestrekt, open landschap lag. Ik was een verwoed ruiter en verheugde me op het vooruitzicht daar op zo’n schitterend legerpaard doorheen te kunnen galopperen. Zorgvuldig pakte ik mijn mooiste rijlaarzen in. Steeds meer kreeg ik het gevoel dat ik me gereed maakte voor een luisterrijke militaire parade. Bijna overmoedig trof ik de laatste voorbereidingen. Tegen mijn broer merkte ik op dat het jammer was dat ze op dat moment geen oude mannen konden gebruiken. Hij protesteerde luidkeels en dreigde met handtastelijkheden als ik mijn brutale mond niet hield. Zijn vrouw riep ons toe niet zo kinderachtig te doen, en ik moest me uiteindelijk vreselijk haasten omdat we zoveel tijd hadden verspild.

Op het station leek het wel of alle mannelijke inwoners van Warschau zich daar hadden verzameld. Ik begreep al snel dat de mobilisatie slechts in zoverre ‘geheim’ was dat ze niet in het openbaar door middel van aanplakbiljetten was bekendgemaakt. Kennelijk waren er honderdduizenden mannen opgeroepen. Ik herinnerde me dat ik twee of drie dagen eerder het gerucht had opgevangen dat de regering overwoog vanwege de Duitse dreiging een algemene mobilisatie af te kondigen, maar dat ze daar na waarschuwingen van de vertegenwoordigers van Frankrijk en Engeland op was teruggekomen. Hitler mocht niet ‘geprovoceerd’ worden. Op dat moment vertrouwde Europa nog op concessies en verzoening. Maar aangezien de Duitsers onverholen doorgingen met hun aanvalsvoorbereidingen had de Poolse regering uiteindelijk toestemming gekregen voor een ‘geheime’ mobilisatie.

Dat alles kreeg ik pas later te horen. Op dat moment deed de herinnering aan het gerucht me even weinig als toen ik het voor het eerst hoorde. Om me heen stroomden duizenden mannen in burgerkledij de perrons op, en allemaal sleepten ze een gemakkelijk herkenbare ransel met zich mee. Ik zag honderden keurig geklede en goed geluimde reserveofficieren, van wie sommigen elkaar toewenkten of iets toeriepen terwijl ze zich naar de wagons haastten. Ik speurde om me heen naar een bekend gezicht en stapte, toen ik niemand zag die ik kende, maar alleen in.

Jan_KarskiJan Karski, 1994. foto van E. Thomas Wood, bron Wikimedia Commons.

Een fragment van het boek Mijn bericht aan de wereld  (Uitgeveriij Cossee) van Jan Karski, vertaald door Olaf Brenninkmeijer.

Meer over het boek. Meer over Jan Karski.

Wij bedanken hartelijk Uitgeverij Cossee voor de toestemming voor de publicatie van dit fragment.

logo_Cossee

Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via deze site.

Website van Uitgeverij Cossee

(geplaatst door Ł.K.)

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op maart 26, 2014 door in Fragmenten en getagd als , , , , .
%d bloggers liken dit: