Poolse literatuur

Website opgericht en beheerd door Stichting Literatura

Kerstavond (Maria Dąbrowska)

ebook-boze-narodzenie

 

 

 

 

 

 

Oorspronkelijke titel: Boże Narodzenie

Vertaald door  Cela Pankiw

“Kerstavond” is een kort verhaal van Maria Dąbrowska, een beroemde Poolse schrijfstert.

Wij bedanken PNKV hartelijk voor de toesteming voor de publicatie van deze tekst op poolseliteratuur.nl!

 

 

 

Maria Dąbrowska

KERSTAVOND

 

We verheugden ons erg op kerstavond.

De dagen werden steeds korter, het weer was warm en vochtig. Alle geluiden leken zowel zachtjes als luid hoorbaar. De hanen kraaiden en sloegen met hun vleugels. De lente kwam bedremmeld en spijtig uit haar schuilplaats te voorschijn, en de kerstster trok zich verdrietig terug. Toen kwam de vorst en kon je horen, hoe hij opnieuw aan zijn opmars begon, glibberend en dreunend over de bevroren aarde. De vallende sneeuw maakte zijn pad zacht.

‘s Morgens kon je door de dunner wordende nevel zien, hoe er over het pad achter het waterbassin een lange rij mensen naar de ochtendmis liep. De lantarens en lampjes die ze bij zich hadden, wierpen lange rode strepen over het bassin, bijna tot aan het raam van de hoeve. Ook trokken er grote schaduwen naar de kerk.

‘s Avonds, voor de luiken gesloten werden, liepen de kinderen met onvaste tred naar het raam en keken hoe de nacht daarbuiten sliep, beeldschoon, onberoerd, duidelijk; ze keken hoe de bomen en takken granieten schaduwen over de bleekgouden sneeuw wierpen, naar de trillende sterren die hoog tussen de witte kronen van de bomen hingen, en hoe op de grootste hoogte de zilvergouden maan onbereikbaar scheen.

Eindelijk werden de luiken gesloten. Dan gingen alle kinderen aan de grote tafel zitten en begonnen aan de voorbereidingen voor de kerstboom. Met kleefpasta van roggemeel plakten ze strook na strook aan elkaar. Een gele aan een paarse, een rode aan een blauwe, een groene aan een saffierblauwe en een goude aan een zilvere. Ze hingen lange, ritselende kettingen om hun hals en zaten vol trots aan tafel, als koningen van een wilde stam.

De ouwel verscheen in de eerste helft van december. Hij werd gebracht door de organist, die door iedereen herkent werd, zodra hij met zijn enorme mand en zijn staf in de laan met de kastanjes verscheen.

— ‘Hier komt de ouwel kinderen’.

— ‘Jezus Christus zij geprezen’, zei de organist, rechtstreeks de eetkamer inlopend. Er hing een waas van vorst en sneeuw om hem heen, en zijn woorden klonken naar kerstliedjes, naar een boom, naar kerstavond. Hij schikte de ouwel op tafel. Eerst een dik pakje voor mijn ouders, met een gouden lintje met opgedrukte sterretjes in een kruis er omheen. Op het kruispunt glom een grote, goudkleurige ster met zeven punten. Onder het doorzichtige hart was het stalletje van Bethlehem zichtbaar, gemaakt van papieren figuurtjes. Het pakje had op iedere hoek gouden sterretjes en engeltjes, die met één hand op een wolkje steunden. Daarna diepte hij vijf pakjes voor de kinderen op. Het waren kleine stukjes ouwel, die in een speciale vorm waren gesneden. Het oppervlak van de ouwel was ook versierd met sterretjes en engeltjes, maar niet zo overdadig. Tenslotte het pakje voor de dienstbodes.

In iedere pakje zat gekleurde ouwel, goud, blauw en rood, om lantarentjes en sterren voor in de kerstboom van te maken. Er was zoveel ouwel, dat we het later als wafeltjes aten, die we boven de lamp roosterden. De kinderen waren dol op geroosterde ouwel. Wat de organist weer meenam deed er echter niet voor onder, eieren, reuzel, kaas, worst, brood. Hij ging gebukt onder het gewicht toen hij weer wegging. Niet lang daarna kwam de pastoor op huisbezoek. O, dan was het echt al bijna kerstavond

Pastoor Augustijn was grijs en gebocheld. Zijn soutane leek nog ouder en glom op de rug als een spiegel, de kleur was zo roodbruin geworden, dat hij in het licht wel rood leek. De pastoor ging op de oude bank in de salon zitten, klopte op het zwart gelakte tabaksdoosje en snoof dan met zijn lange, rode neus met wijde neusgaten. Voor de kinderen, die hij allemaal gedoopt had, nam de pastoor iedere jaar onveranderlijk een pakje donuts mee. Hij bleef lang zitten en vertelde tot laat in de avond over duivels en heksen. Hij vertelde zulke enge verhalen dat de kinderen later bang waren om te gaan slapen.

Weldra arriveerde dan ook vader Eugeniusz, de collectant van de Franciskaner monniken in de stad. Er was daar een oud klooster met drie laatsten monniken, gedoemd om uit te sterven. Vader Eugeniusz was een gezette, rode man, die luid sprak en niemand met zijn vertelsels verdriet deed.

Zodra hij langskwam, verscheen er wijn op tafel en zijn verhalen waren vrolijker dan die van de pastoor. Hij wist over iedereen iets aardigs te zeggen. Zijn adviezen, eenvoudig en verbazingwekkend raak, deden iedereen goed. Als hij met een gevulde kar weer vertrok, naderde de eerste ster met rasse schreden.

Op een dag gingen vader en moeder naar de stad om inkopen te doen. Zodra ze beiden vertrokken waren, leek het huis direct enorm. De kamers leken onmetelijk groot, de keuken en de verblijven van de dienstbodes leken mijlen ver weg. Bij schemer kwamen ze terug en nog voor ze uit de wagen gestapt waren, kwam er vanuit het nachtelijke duister een eindeloze stroom pakjes, pakjes en nog eens pakjes de eetkamer binnen. Dat alles verdween in het grote dressoir en in de kast, en tenslotte verscheen moeder die door alle kamers riep: ‘Koud! Koud!’. Dan werd het huis weer klein en behaaglijk.

Twee dagen voor kerstavond werd er iemand naar het bos gestuurd voor een kerstboom. Soms werd het al donker en was er nog geen boom. De kinderen waren dan verdrietig en voelden zich op duizenden manieren ongelukkig. Dan kwam vader, ging in het grijze uur bij de kinderen zitten en vrolijkte hen op.

— De oude Józef is al uit de hemel afgedaald. En de sneeuw ligt kniehoog. Hij komt, hij komt langzaam maar zeker die oude.

Het hart van de kinderen klopte als klokken.

En al gauw rommelde er iets achter het raam. Daar kwam de kerstboom uit het bos en in de inktzwarte nacht waren er voor het huis luide stemmen hoorbaar wanneer de boom van de wagen geladen werd.

De volgende morgen werd de kerstboom de eetkamer binnengebracht. Hij bracht de geur van het bos en de winter met zich meer. Hij stond daar, ijzig, donker en in gedachten verzonken, hoog, van de vloer tot aan het plafond

De kinderen gingen onder de boom zitten en raakten keer op keer de scherpe bevroren naalden aan. ‘s Avonds na het eten opende moeder het dressoir. Dan hielden we onze adem in.

‘Hier hebben jullie vijgen, koekjes… Er zijn denk ik voldoende snoepjes, en ik zal zo de nootjes pakken. Hier zijn de marsepeinen vruchten. Kinderen, niet van eten!’

Moeder stortte op een dienblad een deel van de schatten uit het dressoir uit. Er is maar een pond marsepeinen vruchtjes en niemand mag er ook maar eentje van eten, voor ze tenminste twee dagen in de kerstboom gehangen hebben.

‘Geven jullie mij eens een mandje!’ riep moeder.

Dan renden de kinderen om een mandje. Ze haalden het op samen met het door moeder gehaakte onderzettertje voor de lamp.

Moeder deelde gekeurd garen uit aan de kinderen, en het werk begon. Door iedere stukje marsepein moest een draadje geregen worden, zodat er een lusje gemaakt kon worden waarmee het in de kerstboom gehangen kon worden.

Dan ging vader naar boven om appels en noten te halen. Je kon dan lang horen, hoe hij daar liep en ronddrentelde, ons hart klopte dan in onze keel, als we aan de donkere en koude hoeken en gaten van de zolder dachten, aan de ongelijke vloer.

Daarna plakte vader met lak de goudbruin geroosterde noten vast, twee, drie, vier en reeg de appels.

Laat op de avond bracht moeder dienbladen met lekkernijen de salon in, die ze afdekte met een servet. De kinderen stonden strak van verwachtingsvolle spanning. Ze waren vreselijk blij en maakten zich zorgen, dat er iets zou kunnen gebeuren. Dat het de volgende dag toch geen kerstavond zou zijn.

Maar dat was het wel.

Achter het raam was de nacht nog donker en besneeuwd, als de kinderen al uit hun slaap ontwaakten. Ze opende de luiken en de nacht keek het warme interieur van het huis in, waar ze doorheen drentelden en de rode flikkeringen van het vuur dat in het fornuis en de haard was aangestoken zichtbaar waren. Door het raam van de salon was de Morgenster zichtbaar, als een lelie van briljanten, bloeiend aan de zwarte hemel.

De lamp, die in de eetkamer hing, schommelde zachtjes, en als er iemand binnenkwam rinkelden alle kopjes, glazen en glaasjes, die feestelijk op het dressoir waren uitgestald, zachtjes, alsof ze net als de kinderen trilden van opwinding. Buiten verbleekte de nacht, hulde zich in oranje en paarse nevelen en kwam de tuin te voorschijn uit de schaduwen, verstild onder een laag ijsblauwe sneeuw, bedeesd en plechtig.

Als het helemaal licht geworden was, en alle lampen waren gedoofd, kwamen de nichtjes met hun vader. Ze haalden uit een doosje een goudkleurig juweel voor in de kerstboom te voorschijn. Dat was het teken. De kerstboom werd de salon binnen gedragen, en nog voor hij neergezet werd moesten de verzilverde ster en een engeltje dat op een hoorn blies in de top bevestigd worden.

Daarna werden de appels opgehangen, onder het gewicht waarvan de takken van de kerstboom zich loom lieten zakken.

En als de kerstboom eenmaal was opgetuigd en gewikkeld was in gouden en zilveren draden, begonnen er vanuit de warmte van de kamer bont gekleurde lichtjes te schitteren, en geurde hij naar koekjes en vijgen. Ach vijgen! Herinneren jullie je de geur van vijgen en dadels vermengd met de naalden van de kerstboom nog?

Ondertussen was vanaf het bassin de stem van vader al te horen en moeder waadde door de sneeuw waarmee ze van onder tot boven bedekt was, tussen de met stro omwikkelde rozenstruiken door.

De kinderen trokken haastige hun wollen beenwarmers en gewatteerde parka’s aan en renden er ook op af.  Bij het bassin wierpen mensen netten uit onder het ijs, terwijl ze schreeuwden en hun handen in de luchtgaten onderdompelden. De koetsier stuurde alles in goede banen. Er was op de hele hoeve geen taak van enig belang, waarvoor de koetsier niet werd ingezet. Hij slachtte varkens, maakte worsten en zult, zag toe op belangrijke werkzaamheden, ging op pad voor zaken, organiseerde de visserij, schilderde de vloeren en voorzag de muren van de hoeve van behang als dat nodig was

Als de rust over het bassin was weergekeerd, en de vissen die in het water van de grote houten emmer spartelden, de keuken ingebracht waren, ging vader met zijn geweer op jacht, zodat hij het hele jaar geluk zou hebben.

De kinderen renden dan over het veld, over het erf en door de tuin, om te kijken hoe het er overal aan toe ging, nu het bijna kerstavond was.

Alle honden renden en dansten rond de benen van de kinderen. De kippen liepen behoedzaam door de sneeuw, hun poten hoog optrekkend. De kalkoenen, klokkend en enigszins waggelend, strekten hun halzen en gingen er met grote onelegante sprongen vandoor.

Als we thuiskwamen, stonden de kinderen verrukt en verlegen rond de kerstboom, zo flonkerend en statig mooi was die.

Als tweede ontbijt werd er haring geserveerd, en dan begon de lange middag zonder einde.

De kinderen drentelden heen en weer, zaten onrustig, of stilletjes en dromerig voor het raam.

De schemer viel zo langzaam in. Nu eens leek hij al nabij, dan trok hij weer weg. De kinderen keken met ronde ogen van inspanning. Ze sloten hun ogen en telden tot honderd, tot tweehonderd, en dachten als ze hun ogen openden dat het al wel donkerder zou zijn. Het was lichter.

Moeder liep de keuken in en uit. Vader zat bewegingsloos en zwijgend in de salon. Hij leek het huis en de kinderen niet te zien. Zijn gedachten waren afgedwaald naar lang geleden, toen hij twee keer kerst vierden in de opstand, en naar nog langer geleden, naar zijn schooltijd.

Eindelijk zei vader: ‘Ik zie al een ster’.

Of, als het bewolkt was: ‘Er moeten al sterren aan de hemel staan.’, en stond op.

Opdat moment sloten zich zachtjes en onverwacht de deuren naar de salon. Nu kwam de Heilige Józef aan. De kinderen konden hem niet zien. Ze zaten in de steeds donkerder wordende kamer, gespannen en vol aangename verwachting.

Eindelijk gingen de deuren open. De salon was helder, geurde en draaide voor onze ogen. Het geruis van engelenvleugels klonk door de hele kamer en de kerstboom schitterde alles omvattend, zoals een sterrenhemel alles overkoepelt. De ogen glommen en het hart liep over.

De kinderen kwamen bedeesd binnen, volkomen verbijsterd.

De ouders waren namen de kinderen even bedeesd bij de hand en kusten hen.

De luiken waren open en in alle vensters schitterden magische kerstbomen. Er verstreken heel wat bijzondere momenten, voor de kinderen uiteindelijk de cadeautjes in de gaten kregen die voor iedereen onder de kerstboom neergelegd waren.

Vader pakte dan zijn viool, speelde voor hen en zong:

A wczora z wieczora, a wczora z wieczora (En ’s avonds, gisteren, en ’s avonds , gisteren gisteren)

z niebieskiego dwora… (Vanuit het blauwe hof)

En als hij het lied inzette:

Bóg się rodzi, moc truchieje…               (God wordt geboren, grote machten beven)

Barstten de kinderen allemaal in gezang uit, als in tranen.

In de deuropening van de eetkamer stonden alle dienstbodes, en een ieder die op dat moment in de keuken verscheen.

Dan legde vader zijn viool weg, nam het bord waarop de ouwel lag en ging iedereen voor naar de keuken. Op de grote tafel waren schalen uitgestald, waarop appels, noten en koekjes lagen. Er moest voor iedereen een portie zijn. Zowel vanuit de hoofse keuken, als vanuit die van de dienstbodes. Iedereen verdrong zich om samen de ouwel te kunnen breken. Daarna kregen ze een enorm glas wodka, en proostte vader op hen. Ook de butlers, de koetsier en de tuinman kwamen, maar die deelden enkel de ouwel en wisselden wensen uit.

Plotseling begonnen alle meiden, die in de keuken waren te gillen, alsof ze gevild werden en werd er voor het raam een dik, rood gezicht zichtbaar. Het was geen eng gezicht, als het in de vorm van maskers in de winkels van het stadje hing, maar nu, nu het bewoog en schreeuwde achter het raam, zou het iedereen de stuipen op het lijf jagen. De kinderen vluchtten zo snel ze konden naar de kamer. Even later kwamen ze echter terug en keken, met één voet op de drempel, hoe de sterdrager de keuken instapte, met zijn enorme grijze baard en de kinderen van de kokkin om het onze vader vroeg.

Later deelden wij de ouwel met onze ouders en zetten ons eindelijk aan het diner. Later deelden we de ouwel met onze ouders en gingen aan tafel zitten, terwijl moeder zich nerveus maakte, dat de kinderen niet in een graat zouden stikken en de kinderen angstig van de vis aten en zich van tijd tot tijd verbeelden te stikken. Dan droeg vader hen op veel aardappelen te eten, en waren ze verrukt. Bij het eten kregen de kinderen zoete, sprankelende wijn en vroegen om nog een beetje. Tenslotte kwamen er lekkernijen op tafel – hier was het hele jaar van gedroomd – zoet geurende dadels en de scherp zoete vijgen, aromatische rozijntjes, koude jams, kruidig geurende koekjes en tenslotte noten.

De grote, Italiaanse noten aten we met honing, en met de kleine nootjes uit het bos speelden we met vader het spelletje even – oneven

Na het eten werden er nogmaals kaarsen aangestoken. Iedereen werd overvallen door een zalige rozigheid, zoals altijd gebeurde als je je volgestopt had met geluk. Half slapend boven onze speeltjes hoorden we, als door de mist, hoe uit het duister van de nacht en de vorst kerstliederen kwamen aandrijven:

Gdy się Chrystus rodzi i na świat przychodzi (Als Christus geboren wordt en ter wereld komt)

ciemna noc w jasnościach promienistych brodzi. (lost de donkere nacht op in stralende helderheid)

In de schitteringen van die nacht begon de rode ster te dansen, en zetten de jongens een lied over hooi in:

Gdy się Chrystus rodzi i na świat przychodzi

Ciemna noc w jasnościach promirnidtych brodzi.

(Als Christus geboren wordt en ter wereld komt

Lost de donkere nacht in stralende helderheid op.)

In de schitteringen van die nacht begon de rode ster te dansen, en zetten de jongens een lied over hooi in:

Wynidź ty, książę, z złotego pokoja,

niech Go okryje sianem ręka twoja.

O siano, siano, o nieprzepłacone,

godne, byś w raju było pokoszone.

(Verlaat, Prins je gouden vertrekken

Lat uw hand Hem met stro bedekken

O stro, stro van onschatbare waarde

Je had in de hemel geoogst kunnen zijn

in plaats van op aarde.)

 

Vertaald door  Cela Pankiw

Wij bedanken PNKV hartelijk voor de toesteming voor de publicatie van deze tekst op poolseliteratuur.nl!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op januari 10, 2016 door in Fragmenten, Uncategorized en getagd als , , , .
%d bloggers liken dit: